De ondeelbaarheid van verdriet, #3

July 31, 2015 § 1 Comment

Twee dagen voor mijn geplande vertrek naar Burundi slaat de ondeelbaarheid van verdriet (zie hier en hier) weer toe, toch nog onverwacht. Ik heb afgesproken met een vriend uit Bujumbura die na de staatsgreep in mei naar Kigali vertrokken is; het werd hem te heet onder de voeten, wonend in een van de protestwijken en bang voor wat de toekomst zal brengen. Hij zit hier nu sinds eind mei, zonder werk, en we spraken af iets te gaan eten en drinken.

Ondanks dat een gezamenlijke vriend me al had gewaarschuwd voor z’n staat-van-zijn, schrok ik me een ongeluk toen ik hem zag. Dof, mager. Heel mager, “dat komt door de zorgen”, wijzend naar zijn hart en hoofd. Die van mij braken, hart en hoofd. Maar ik lachte het weg: “laten we dan maar snel wat gaan eten!” en ik sloeg een arm om hem heen. En schrok weer, want het was net of je in de lucht greep.

In mei sliep ik een week bijna niet, en twee weken heel slecht, van de zorgen om een heel aantal vrienden en vooral een specifiek gezin in Bujumbura. Dat vond ik hypocriet, en ik wilde er niet over schrijven want ik wilde niet dat het zou lijken alsof ik mezelf en mijn verdriet centraal zou stellen. Maar nu, een paar dagen voor vertrek en waarschijnlijk nog meer verdriet, moedeloosheid en woede, moet het toch maar.

De verhalen die hij me gisteren vertelde zijn niet nieuw: ik heb erover gelezen en ervan gehoord, ik weet het allemaal. Maar het maakt nogal een verschil om het in algemeenheid te lezen, of het te horen van iemand die tegenover je zit, aan wie je kunt zien en voelen wat dit met je doet, bovendien iemand die je redelijk goed kent, met wie je al bijna vijf jaar (toegegeven, af en toe) contact hebt en die je een warm hart toedraagt. Ik probeerde grapjes te maken, de gespreksonderwerpen te veranderen, maar hij wilde graag praten over wat er in zijn thuisland aan de hand is en waar moet je het ook anders over hebben? Wat hij doet de hele dag? Niets, want hij is werkloos. Behalve zijn zus en zijn vriendin zit bijna iedereen nog in Burundi, en hij durft niet terug omdat er geruchten zijn dat er vlak na de grens gecontroleerd wordt uit welke wijk je komt (dit staat in je papieren. Toen hij me dit liet zien viel mijn oog op zijn geboortejaar, 1989, net als mijn zusje. Ik kreeg toen heel veel zin om de tafel om te gooien en te gillen om de oneerlijkheid), en het valt te raden wat er gebeurt als je uit een van de ‘protestwijken’ komt.

In mei schreef ik: “een week lang ga ik met buikpijn en een zwaar hoofd slapen, en ben ik bang voor het nieuws als ik wakker word. Ik heb nachtmerries en word om het uur wakker. Om een uur of half zes grijp ik met trillende, klamme handen naar mijn telefoon en met een steen in mijn maag open ik Twitter en Facebook: zijn de protesten uit de hand gelopen? Zijn de geruchten nu dan werkelijkheid geworden? Wordt de wijk waar een van mijn dierbaarste vrienden met zijn gezin woont, genoemd? (Hoe) zijn ze de nacht doorgekomen? Ik wacht tot het in Amerika ook dag is, want dan kan ik praten met de mensen die dit op eenzelfde manier ervaren, die het gezin in kwestie ook goed kennen en met wie we proberen een oplossing te vinden. De volgende dag bel ik heel vroeg ’s morgens met de vader van het gezin; ze gaan naar het binnenland. Vader, moeder, zes kinderen waarvan de jongsten krap één en drie jaar oud zijn. Hij belt me om te zeggen dat ze vertrekken, en zal me weer bellen als ze aangekomen zijn. Onderweg zijn er de nodige obstakels en ik druk hem op het hart te zeggen dat ze familie gaan bezoeken, eventueel belastende foto’s, smsjes en filmpjes van zijn telefoon en laptop te verwijderen, want die worden gecontroleerd. Ik hang op en heb zin om iemand heel hard in zijn gezicht te stompen. Wat voor gesprek heb ik zojuist in godsnaam gevoerd?

Ik heb een kater maar ik heb niet eens gedronken. Mijn ogen zijn dik en droog van weinig slaap, van het onophoudelijk turen naar een beeldscherm, ondanks het vele huilen. Mijn wijsvinger heeft bijna kramp van het f5-en, ha-ha.

De ondeelbaarheid verdriet – een terugkerend thema, evenals de ver-van-je-bed-show. Want ik krijg geen buikpijn van Syrië (hoewel, als ik er genoeg over nadenk waarschijnlijk ook). Daar ken ik niemand. Natuurlijk, ik zou geen leven hebben als alles me zo zou raken als dit. Tegelijkertijd boosheid: dit is niet heel professioneel gedrag. Kan ik wel onderzoek doen in een land als ik me de gebeurtenissen zo aantrek? Moet ik geen manier vinden hiermee om te gaan, want straks wordt het écht oorlog en hoe ga ik er dan voor zorgen dat ik niet elke dag met buikpijn van de bezorgdheid en hoofdpijn van slaapgebrek zit, en probeer te werken? Daarnaast: ik beschuldig me ervan mijn eigen verdriet, om hun verdriet, centraal te stellen. Het voelt alsof ik dit eigenlijk niet mag schrijven; mijn emoties vallen in het niet bij die van mensen die dit lijfelijk doormaken.

Ik kan nauwelijks geloven dat dit echt gebeurt; hij heeft zoveel opgebouwd de afgelopen jaren, is van zover gekomen, en er was zoveel hoop op een nieuw begin. Het klinkt ontzettend zijig en als iemand anders het zou zeggen zou ik er waarschijnlijk cynisch om lachen, maar het land dat vier jaar geleden under my skin ging zitten en me zo fascineerde, waar ik vervolgens wekelijks aan dacht, dat zo waanzinnig mooi is met zulke leuke mensen en gestoorde verhalen, het meer, brochettes met biertjes, en zoveel mensen die hun verhalen met mij wilden delen, dat land met een zilveren randje: dat gaat helemaal naar de tering. Burundi is ineens in het nieuws – omdat het nieuws is. Maar ik kan toch moeilijk een potje gaan zitten janken op de radio.”

“Je moet het je niet zo aantrekken” – je zou ze de kost moeten geven, de mensen die dit tegen me gezegd hebben, over een veelheid aan onderwerpen overigens. Maar ik wil een betrokken wetenschapper worden (mocht dat er ooit van komen, misschien ook wel niet, dus wellicht moet ik het houden bij ‘een betrokken werkend mens’. Ofzo.), niet afgestompt. Ik wil wat er nu gebeurt in Burundi niet zien als een “excellent opportunity”, (waar deze vandaan komt laat zich raden), of juist als een obstakel voor mijn onderzoek. Ik wil erover vertellen omdat ik het belangrijk vind dat de wereld weet wat er gebeurt, dat we gezamenlijk kunnen nadenken over oplossingen, dat we in elk geval niet kunnen zeggen dat we het niet wisten. Aim high, ik weet het. En wat weet ik nou helemaal?

Ik maak me dus op voor een storm aan emoties en verdriet, gezien het aantal Burundese vrienden dat ik de komende dagen zal gaan zien en de voortdurende crisis. En nu maar hopen dat ik het voor elkaar krijg dat om te vormen in iets functioneels en productiefs, want van moedeloosheid is nog nooit iemand beter geworden – Burundezen allerminst. Of zoals een andere goede vriend uit Bujumbura, net getrouwd en vader geworden, in mei tegen me zei (we bespraken de gefaalde coup-poging): “Ik ben dankbaar, want we zijn gezond, we leven nog. Ik kan het me niet permitteren depressief te zijn. Ik moet hoop hebben, anders word ik gek.”

Advertisements

P-p-p-p-pokerface

July 13, 2015 § 3 Comments

Heel veel anders dan een bak ellende kan ik dit stuk niet noemen, dus weet waar je aan begint. Al een week of drie zweven er delen in mijn hoofd en het komt nu op niet al te gestructureerde wijze op papier terecht. Bovendien is het een stuk dat wellicht beter anoniem geschreven had kunnen worden, maar dan denk ik weer aan Connie Palmen en ach: misschien heeft iemand nog iets aan mijn onvolkomenheden.

Ik schrijf dit met heel hard Lady Gaga aan en ik heb heel veel zin in heel veel (slechte) whisky met toch maar wat cola omdat het anders zo vies is, en een dansvloer met een muur die uit een spiegel bestaat en discolampen, discorook en duizend mensen die met je willen dansen, en dat het dan niet eens meer uitmaakt of het Nepalese blauwpetten zijn of Congolezen, of Belgen die voor het eerst in weken weer eens een nieuwe petite muzungette zien en daar en masse op af gaan alsof je Angelina Jolie (huhu leuk in de context) zelve bent.

Eigenlijk was ik interviews aan het uittypen maar ik werd er chagrijnig van omdat ik al deze blur, die blijkbaar al even dwarszit, eerst kwijt moest. Want het is zo’n enorme tyfuszooi in Congolees NGO-land. Congo zelf functioneert natuurlijk heus op z’n eigen manier, en mensen zijn echt niet alleen maar zielig, daar gaat het niet om. Ze gaan alleen nog wel altijd dood aan diarree, vrouwen baren tien kinderen (ja sorry, dat is mijn dingetje – één kind lijkt me al afschuwelijk, laat staan tien, laat staan met de medische zorg hier), en laten we het over de veiligheidssituatie maar even niet hebben. Ik ben vergeten wat het kost om Monusco per dag draaiende te houden, misschien ook wel expres, want ik werd er letterlijk naar van.

En je weet natuurlijk best dat de wereld een ellende is en dat niemand er wat aan heeft als jij erover gaat zitten huilen in een hoekje, of als je je naar de kolere zuipt in een nachtclub in Butembo waar je ongetwijfeld officieel niet eens heen mag want onveiligheid (sorry, het is wat het is), maar soms zijn dat blijkbaar de dingen die je moet doen om een dag (of twee, in het geval van de alcohol) later weer met een open blik dat veld in te kunnen, om te luisteren naar mensen en om te analyseren wat er wel, en wat er niet goed is gegaan.

In de hoop dat een volgend project verbetert, in de wetenschap dat er heus wel vooruitgang is, wat dat dan ook moge zijn, proberend niet al te cynisch te raken van het feit dat ook jij tot een karikatuur verworden bent, in elk geval af en toe. Hoewel het eigenlijk niet zo is dat ik me hier nu extreem anders gedraag dan in Nederland/Engeland, maar de context is toch wel een beetje anders. “Don’t let it get you down, let it get you up and angry”, aldus een dierbare vriend toen ik in 2008 hoorde dat het weeshuis waar ik die zomer nog werkte, bewust in de fik was gestoken vanwege een conflict tussen de eigenaar (extreem corrupte wannabe politicus die al het hulpgeld achterover sloeg maar aanbeden werd door de kinderen, om te kotsen) en een andere politicus met wie hij overhoop lag, tegelijk ook de eigenaar van de grond waarop het weeshuis gebouwd was.

Goed, waar dit allemaal vandaan komt? Frustratie en onvermogen. Evaluatiewerk is frustrerend als je normaal gesproken (pogingen tot) academisch onderzoek doet, zeker als je redelijk perfectionistisch en detaillistisch bent. Daarover later wellicht meer. Congo is frustrerend als je een beetje moeite hebt met verwachtingsmanagement, ongeduld en teleurstellingen (meer over waarom ik eigenlijk totaal ongeschikt ben voor de landen waar ik toch telkens weer terecht kom, hier). Als je bovendien een eeuwig schuldgevoel met je meezeult: deze ongelijkheid is onrechtvaardig en zou er niet moeten zijn maar het voelt alsof ik er niets aan kan doen.

Samen met mijn twee (overigens heel slimme en leuke) onderzoeksassistenten praat ik per dag zo’n vier tot vijf uur met groepen mensen en individuen, over bepaalde ontwikkelingsinterventies van de afgelopen jaren. Een greep uit de frustratie: ontevreden (gedesillusioneerde) mensen, liedjes-van-verlangen. Eindeloze vragen of ik niet alsjeblieft aan de NGO’s die ik ken kan vragen of ze de projecten willen voortzetten. Nieuwe schoolgebouwen vol kinderen van wie de ouders geen schoolgeld kunnen betalen, leraren die door de staat worden betaald (…ik zal er niet over uitweiden) of vanuit geld van de scholen zelf, opgebracht door ouders (wederom: …), dorpen waar geen nieuwe scholen zijn gebouwd en kinderen dus nog in lokalen met lekkende daken en open ramen zitten. Gezondheidscentra met halfvergane matrassen en kamers die zo muf ruiken dat je er naar van wordt. Als het boeren gelukt is meer te produceren dan voorheen dan is er wel een probleem met de vermarkting ervan, bovendien krijgen mensen nog altijd erg veel kinderen waardoor het onmogelijk is om voor allemaal even goed te zorgen…

En de staat, oh, de Congolese staat. Ik stuur er nooit op aan en het onderwerp komt zonder uitzondering op tafel. Staatsfunctionarissen vragen of ik kan lobbyen bij NGO´s, zodat ze een salaris krijgen. Schooldirecteuren vragen ik niet kan lobbyen bij de Congolese overheid. Of ze dat zelf niet kunnen? Ze kijken me lichtelijk meewarig aan. Ik kijk in mijn hoofd chagrijnig terug (en misschien in het echt ook wel, ik schijn vaak chagrijnig over te komen) en ik weet niet waar ik pissiger over ben: de staat, hun vraag aan mij, of allebei en mijn onvermogen dat te begrijpen.

Moet je het dan maar niet doen, al die interventies? Ik zou willen dat ik een overtuigd “jawel, we moeten het wél doen, want niks-doen lost helemaal niets op” kon antwoorden, maar het gaat niet meer. Niet op deze manier. Omdat er ook zoveel negatieve effecten zijn – nieuwe conflicten die gecreëerd worden, een vorm van afhankelijkheid, verwachtingen die niet waargemaakt worden… ik weet meer niet of dat wel echt opweegt tegen de vooruitgang (want die is er natuurlijk ook. Vrij simpel: zonder schoolgebouw kun je niet naar school, dus bouwen maar. En iedereen is trots en blij. Maar ook: zonder schoolgeld kun je de school niet onderhouden, zonder salarissen gaat de kwaliteit van leerkrachten niet echt omhoog – en dan hebben we het nog niet eens over de inhoud en kwaliteit van het onderwijs gehad. “Ça ne sert à presque rien.”)

“Mensen zien dat wij, als oudercomité van de school, met jou hebben gepraat. En jij komt uit een NGO-auto. Vervolgens beschuldigen ze ons ervan dat we geld van je hebben gekregen dat we voor onszelf houden.”

Dat moet dus anders, want uit (durf ik het te zeggen?) medemenselijkheid zijn we het de wereld verplicht armoede uit te bannen en onrechtvaardigheid te bestrijden. Waar dan ook, overigens, en dat is heus niet iets wat ‘wij blanken’ moeten doen. En al helemaal niet uit schuldgevoel maar gewoon, omdat we in een gestoord geflipte wereld leven die zich niet vanzelf rechttrekt.

En die whisky, die moet zo af en toe dan maar.

Beautiful, Dirty, Rich

July 13, 2015 § Leave a comment

Na een weekend met Belgen en Amerikanen te hebben doorgebracht met aardig wat hysterie en uitgaan tot 5 uur ’s morgens voel ik me schuldig want: waarom heb ik het blijkbaar nodig af en toe met mede-blanken om te gaan? Waarom ben ik niet iets bij collega’s gaan eten?

De excuses

Na een hele dag interviewen en data uittypen ben ik gesloopt – zeker omdat de discussies doorgaans niet optimistisch stemmen. Ik trek het dan vaak slecht om ook nog met collega’s te socializen tijdens het eten, dus ik ben stiekem blij als ze Swahili met elkaar praten. Kan ik wel volgen waar ze het over hebben, maar verwacht niemand dat ik meepraat. Nu heb ik dat in Nederland/Engeland ook wel, die Remi-neigingen, dus tot zover niets aan de hand. Hier vind ik sociaal doen extra lastig door de taal – mijn Frans is lang niet zo goed als zou moeten – maar ongetwijfeld ook door de ‘cultuur’. Hier zijn is één grote oefening in aanpassing. En nee, daar ga ik niet over zeuren (anders zou ik gewoon lekker in Europa moeten blijven), maar het is wel vermoeiend.

Al mijn collega’s zijn mannen. Ik ben niet getrouwd, heb ook geen kinderen. Ik heb dit keer zelfs geen partner verzonnen, want dat wordt raar, tegenover collega’s. Daar ga je niet tegen liegen (tegen andere mensen wel, overigens – wat ook weer raar wordt als de andere mensen vrienden van collega’s blijken te zijn. Een van hen, uit Burundi, leeft nog altijd in de veronderstelling dat ik verloofd ben en vraagt al drie jaar lang wanneer ik nu eens ga trouwen), maar dat betekent dus wel elke avond weer het rondje waarom heb je nog geen kinderen–je moet snel trouwen want je bent al oud–waarom eet je zo weinig–en wat vind je eigenlijk van het homohuwelijk? Ik wil met een blanke trouwen, kunnen we dat regelen?

“Na drie weken beginnen ze op straat enigszins aan mijn aanwezigheid te wennen.” Dat schreef ik vorige week vol enthousiasme naar een vriend: toen ik op weg was naar het restaurant werd er slechts drie keer naar me geroepen terwijl ik op dag 1 nog een halve schoolklas achter me aan had. Letterlijk. Ik was iets te snel blij, want op de terugweg stond er een heel stel straalbezopen politieagenten en militairen die het nodig vonden me er niet door te laten. Het was namelijk onafhankelijkheidsdag… vrijbrief voor bier. Ze wilden alleen maar praten en waren niet agressief, maar ik heb het toch niet zo op heel hard pratende mannen die naar drank ruiken, je bij je arm grijpen en totaal je persoonlijke ruimte innemen. Gebeurt op de gemiddelde BZ-borrel ook, maar daar is men doorgaans niet bewapend. Scheelt toch.

Verder kijkt natuurlijk wel iedereen, kinderen rennen weg of gillen heel hard, steken hun duim op, gaan enthousiast naar je zwaaien (en wat doe je dan? Je voelt je net de friggin’ koningin als je terugzwaait, bovendien blijf je aan de gang, maar je voelt je een chagrijnige trut als je ze negeert). Het is een beetje als in Nederland op een enorm slechte dag langs een vol terras lopen terwijl je haar klote zit en je je allerlelijkste kleren aan hebt, en je het gevoel hebt dat iedereen naar je kijkt. Met als verschil dat nu ook écht iedereen naar je kijkt, de hele tijd. Hoewel ze zich vast niet druk maken om je haar of je kleren.

Mijn onvermogen om in te blenden, dus, als grootste excuus voor de ‘hang naar blanken’. En daar stoor ik me aan. Er zijn van die mensen die supergoeie vrienden worden met alles en iedereen en helemaal local gaan, maar ten eerste ben ik sowieso niet zo’n sociaal wonder en ten tweede ben ik op een gegeven moment moe. Hier vaak en veel, want het is niet alsof mijn hoofd ook maar een seconde stopt met nadenken. En de treurige waarheid is dan dat het heel fijn is om rondom mensen te zijn aan wie je je niet hoeft aan te passen, omdat je elkaar zonder moeite te doen gewoon begrijpt. En ik vind dat heel antropologisch onverantwoord van me, want ergens lijkt er een waardeoordeel aan te kleven terwijl ik dat niet actief zo bedoel. Het is het koloniale schuldgevoel, gecombineerd met een hedendaags westers schuldgevoel over ongelijkheid en onrechtvaardigheid, die hier wel heel erg in your face is, de hele tijd. De héle tijd.

Dat is niet hetzelfde als op zaterdagavond met een stel Belgen Leffe’s willen drinken, cavia’s grillen (lekker local! Dat dan weer wel) en uitgaan, maar in alle ingewikkeldheid van De Wereld raak je het soms toch een beetje kwijt.

Het ongemak is ook wel ergens op gebaseerd – zo helpt het niet dat mensen om me heen ernaar refereren. Bijvoorbeeld chauffeur Jackson (uiteraard op z’n Frans uitgesproken: zjaksón) die aan het begin van een 2 uur durende autorit die we samen maakten, opbiechtte dat hij heel bang was dat ik niet met hem zou willen praten, omdat ik een expat ben. Ai. Doorgaans ben ik vrij stil in auto’s, ik houd van naar buiten kijken en niet praten, gewoon in mijn hoofd zijn. Ik heb nu mijn best gedaan en twee uur lang over (oh gruwel) koetjes en kalfjes gepraat, en over Congo natuurlijk, hem wat Engels geleerd en hij mij Swahili (praktisch alles weer vergeten). Hij vroeg zich af of ik ooit met een Afrikaanse man kon trouwen? Natuurlijk, zei ik, als ik hem leuk vind. Hij vond het een opluchting, “maar dan moet je er wel eentje kiezen die intelligent is. Niet eentje die nooit naar school is geweest, dat is niet goed.”

Of maman Francoise die me vraagt of ik het alsjeblieft wil zeggen als ze fouten maakt, want ze heeft nog nooit voor een blanke gewerkt dus weet ze niet of ze het wel goed doet.

Of nachtwaker Charles: “na God komen de blanken. Jullie zijn allemaal intelligent. Wij zijn gretig. Jij neemt één kop thee, ik zal er altijd twee of meer nemen. Ik heb meer ontzag voor een domme blanke dan voor een intelligente donkere. Van jullie komt de vreugde.” – ja, hij zei het echt. Een paar jaar ouder dan ik. Mensen, we hebben er echt een ongelooflijke tyfuszooi van gemaakt.

Misschien is het punt dan dat cultuurverschillen helemaal niet erg zijn en dat er ook niet per definitie een waardeoordeel aan hangt, maar dat er hier wel zo veel verwijzingen naar ongelijkheid zijn dat ik een en ander in een Congolese context niet meer zo gemakkelijk uit elkaar weet te halen. Of dat ik er niet zo spastisch over moet doen. Maar ik ben zo ánders. En terwijl ik dit schrijf: is dat wel echt zo? Wil niet iedereen gewoon hetzelfde – een mooi leven, leuke mensen om je heen, lekker eten (haha, sorry ik kon het niet laten. Ik verbaas me er eindeloos over dat ‘lekker eten’, of in elk geval wat ik onder ‘lekker’ versta, hier niet zo lijkt te landen. De markt ligt vol met eten – rozemarijn, tomaten, wortels, aubergine. Ik zeg: doe creatief met een gegrild visje – waardeoordeel alert! Wie ben ik om te zeggen dat fufu met bonen geen zalige avondmaaltijd is? …)

Raaahh. Ik ga hier ook helemaal niet uitkomen natuurlijk. Ja, er ontstaat direct een scheve verhouding wanneer je sociale kring uit enkel blanken bestaat. Die zitten in hun grote huizen en drinken dure drankjes en eten uitgebreid, die hebben 24/7 een generator aan voor stroom, die hebben een rugzak vol met spullen met een totaalwaarde van een jaarinkomen. Of een rugzak die op zich al drie maandsalarissen waard is. Ter verdediging: er zijn ook heel veel rijke Congolezen en dat zijn ook niet allemaal mijn vrienden omdat ze rijk zijn. Ofzo.

Het kost zo’n 18 dollar om je kind een jaar naar school te sturen en jij koopt bij de supermarkt voor 35 dollar aan Nutella, chips, vruchtensap, koffie, brood en kaas omdat je het niet aan kunt vijf luttele weken doorgekookte rijst met bonen en een stukje vis te eten, wat eigenlijk nog helemaal niet zo slecht is (oke, ik heb een keer de pap die ze ‘s morgens drinken geprobeerd maar ik ging echt bijna nekken, en ik eet elke avond een flinke hap fufu mee om telkens te concluderen dat ik het gewoon echt niet lekker vind. Ik doe heus wel mijn best.)

Tenslotte dan, omdat het wel mooi in dit kader past: het effect van mijn aanwezigheid op de VN. Elke keer als er een grote witte auto met in dikke letters UN op de voor- en zijkant geschreven door Lubero rijdt terwijl ik op straat loop, en dat is de afgelopen weken toch een stuk of zes keer gebeurd, wordt er gestopt. Raampje gaat open – “Hey, gaat alles goed? Waar moet je heen? Wil je meerijden?” Als ze weer doorrijden grappen mijn collega’s: “goh, voor ons stoppen ze nooit. Maar toch fijn dat ze jouw veiligheid in de gaten houden, hahaha.”

Tijdens een groepsdiscussie buiten, achter een huisje, zag ik vanuit mijn ooghoek zo’n auto voorbij rijden. Aan de reactie van de deelnemers die verder aan de zijkant zaten, kon ik opmaken dat de auto gestopt was, terugreed, en er iemand uitstapte. Een grote brede blonde Oekraïner kwam grijnzend op me af, “Hee, sorry dat ik je stoor, maar ik zag iemand die er zo uitziet als ik!” Hij ging op het bankje zitten en begon een gesprek – waar ik woonde, wat ik deed, of ik hier nog lang was. Hij zou een keer langskomen (“Gewoon voor de communicatie!” met een vette knipoog) en weg was hij weer. “Sorry to disturb you!”, wat natuurlijk niemand verstond.

Lichtelijk ongemakkelijk vond ik het, en dat legde ik ook uit. Reactie van de groep: “Natuurlijk stopt hij als hij jou ziet, je bent toch zoals hij? Behalve dan dat jij geen conflict veroorzaakt – haha. Als er hier onveiligheid is, dan komt het door Monusco”.

Nou, daar kun je het dan weer mee doen.

Niet zo Congo-proof

July 13, 2015 § Leave a comment

Een dag of twee voordat ik naar een buitenland vertrek vraag ik me steevast af waarom in hemelsnaam ook alweer. Al jaren. Ik heb namelijk nogal wat eigenschappen die niet zo lekker passen bij dit soort werk.

Heimwee is waarschijnlijk de onhandigste, hoewel het met het verstrijken van de jaren een lastiger te omschrijven begrip is geworden. Vroeger werd ik praktisch hysterisch als ik een nacht bij een nichtje bleef logeren waar ik overdag graag kwam. Ik heb heel wat af gejankt gedurende schoolkampen, ben op het brugklaskamp een dag eerder teruggegaan, het heeft me minstens één relatie gekost en twee jaar geleden dreef het me op een haar na terug naar Nederland, vanuit Congo. Echte, allesoverheersende heimwee: het voelt bijna net zo erg als gedumpt worden. Of misschien wel erger, want als je gedumpt bent kun je tenminste nog gered worden door je vrienden. Heimwee grenst aan blinde paniek: een brok in je keel, pijn in je borst, ikwilnaarhuis ikwilnaarhuis ikwilnaarhuis en in mijn geval dus heel veel huilen. Mensen die het nog nooit gehad hebben, kunnen niet begrijpen wat het is. En ik kan me niet voorstellen dat sommige mensen nooit heimwee hebben.

Het lastige is nu dat de heim niet meer zo duidelijk bestaat. Ik woon nergens, en overal. Ik heb geen huissleutel meer: mijn ouders gaan verhuizen, dus de sleutel van het voormalige ouderlijk thuis heb ik bij mijn laatste vertrek achtergelaten. Ik heb geen huis. Er staat een doos met spullen in Bujumbura, er staan er een stuk of vijf in Durham, de rest staat inmiddels in een opslag buiten Amsterdam. Je ‘thuis voelen’ heeft ineens minder en minder met een geografische plek te maken: in Durham voel ik me thuis dankzij de vrienden die ik daar heb gemaakt, in Burundi idem dito. Zelfs Bukavu begon als thuis te voelen – tijdelijk, dan toch, want toen ging ik weg. Nederland zal altijd wel automatisch thuis-ig aanvoelen, maar ook dat wordt steeds minder. Heimwee wordt daarmee een veel onbestemder ‘missen’.

En nu ben ik in het noorden van Oost-Congo, en daar ben ik nog nooit geweest. Bovendien heb ik zoals gezegd niet zo’n enorm goede ervaring met heimwee en Congo dus ik bereidde me mentaal voor op het ergste (waarom ik dit dan toch doe? Omdat ik er nooit vanaf kom als ik gewoon maar thuis blijf. En omdat ik het tegelijkertijd ook altijd heel leuk vind. Omdat dit nu eenmaal is wat ik doe…) Help. Aanvankelijk was ik bang dat ik hier te kort zou zijn om me echt thuis te voelen; vijf weken maar. Drie weken later bleek dat al een misvatting: toen ik vorige week maandag na een weekend in Butembo weer thuis kwam… juist. Thuis: dat is waar mijn koffer ligt en waar ik een houten kastje heb met wat spulletjes erin. Waar mensen mijn naam kennen en me begroeten, waar ik de weg weet, waar ik een routine heb ontwikkeld. Tot op de dag van vandaag geen paniek gehad. Afkloppen en ook: hoezee.

Na heimwee, eten. Moet ik het daar nog over hebben? Ik houd ENORM van eten en dan vooral van chocola die bij voorkeur niet een paar maanden in een container in Mombasa heeft staan verpieteren. En hoewel er hier heel veel groente te krijgen is, lijkt dat niet allemaal zijn weg te vinden naar het restaurant chez Maman Fidèle. Of in elk geval niet op de manier die ik zou kiezen. Zo zat ik eergisteren pompoenbladeren te eten. Best lekker hoor, maar kunnen we niet ook de pompoen eten?

Het totaal niet trekken om met koud water te moeten douchen. Serieus, ik eet nog liever een maand alleen rijst dan dat ik een maand koud moet douchen, zeker als het overdag niet heel heet is, maar iets van twintig graden en ’s nachts veel kouder. Dit los ik meestal op door de tuinman/bewaker te vragen of hij extra houtskool wil kopen, en of hij ‘s morgens een emmer heet water voor me wil fixen. Vond ‘ie heel logisch overigens. Ik ben de schaamte voorbij. Zo deed ik in het hotel in Beni iets (voor mij) unieks.

Ik functioneer slecht in winkels, restaurants, hotels en vliegtuigen. Ik voel me het personeel vaak tot last en zal niet zo snel kritiek uiten (wat misschien hilarisch is, als je deze blog leest – het is dat ik te lui eh druk ben om geschreven klachten in te dienen, zullen we maar zeggen). En al helemaal nergens om vragen. Ik ben in staat om koud eten op te eten omdat ik het zielig voor de kok vind om het terug te sturen. En zonde van het eten want misschien gooien ze dat wel weg. Als ik in het vliegtuig de verkeerde maaltijd krijg, zeg ik er niets van want het kan me eigenlijk niet zoveel schelen. En ik ben een conflictmijdende schijterd. Goed, het punt is duidelijk. In Beni dus, waar heel koud water uit de kraan kwam, zette ik bij de receptie mijn liefste glimlach op en vroeg of ik misschien een emmer heet water mocht. “Ja, natuurlijk – voor morgen ook?”

Ik kan slecht tegen de zon. Ik moet eigenlijk een pet op maar dat doe ik niet, want ik ben ook ijdel. Daarom smeer ik nog elke morgen mascara op mijn witter-dan-witte wimpers en weiger ik nog altijd twee dagen achter elkaar hetzelfde te dragen, hoewel dat was-technisch (gezien het gebrek aan zon, wat dan weer leidt tot een lange droogtijd / stinkende kleren omdat ze een nachtje half-nat in een emmertje liggen), handiger zou zijn. Ik heb moeite met verwachtingsmanagement (groots en meeslepend wil ik leven, enzo) waardoor ik snel en gemakkelijk teleurgesteld ben. Daarnaast wil ik ook nog altijd de wereld redden, dus in realistische doelen stellen ben ik nog altijd niet erg ontwikkeld. Dansen vind ik leuk maar ik heb een nogal Hollands ritmegevoel, wat niet heel goed samengaat met Congolese rumba’s. Zorgt overigens wel voor vermaak. Ik heb soms een slecht geheugen, zodat ik weer eergisteren weer de fout maakte aan maman Francoise te vragen ‘een beetje’ fruit te kopen en haar teveel geld mee gaf, voor de zekerheid want misschien zijn de prijzen in een week wel ineens verdubbeld (? Serieus, ik begrijp niet wat er in mijn hoofd gebeurde.) Dom natuurlijk, want ik weet best dat je dan de hoeveelheid fruit krijgt die er te koop is voor het bedrag dat je meegeeft. Dus ik heb nu 15 mango’s en 10 citroenen op de kast liggen. Een bovenmatig ontwikkeld empathisch vermogen is ook niet altijd heel handig, want ik vind heel veel dingen die ik zie en hoor heel erg naar en verdrietig. Ik ben een sentimentele sok en ik huil hier veel, maar alleen als niemand het ziet.

En toch kom ik telkens weer terug.

Heimwee

July 13, 2015 § 8 Comments

Bukavu, maart 2013

Het sluimert al een paar dagen, zeurend op de achtergrond, maar ineens is het er dan écht. Dan word ik wakker onder een muskietennet, dwing ik mezelf op te staan en te douchen. Ik sta m’n tanden te poetsen voor de spiegel en ineens is er dat stemmetje, “je wilt hier niet zijn, je moet naar huis! Naar daar waar alles fijn en vertrouwd is, naar je ouders, je familie, je vrienden en je fiets. Je moet hier weg.” En dan knijpt mijn maag samen, er komt een brok in mijn keel die niet weg te slikken is en de tranen branden achter mijn ogen. Maar je gaat niet huilen als je nog in een taxi naar kantoor moet, dus zo goed en zo kwaad als het kan kleed ik me snel aan en ga op weg naar ICCO, daar waar internet is, daar waar contact met vertrouwde mensen is. Maar het is pas h9 uur ‘s morgens, dus 8 uur in Nederland. Er is nog niemand. Een paar mails met leuke reacties op de foto’s van het huis die ik gisteren gestuurd heb, maar ik kan alleen maar denken “verdomme, ik wil niet in dat huis wonen.” Gelukkig komt mijn nicht snel online en belt ze mijn ouders, die zich vrijwel direct op Skype melden. Ik ga maar even naar buiten, want ik voorzie al wat er gebeuren gaat: op het moment dat ik die lieve stemmen hoor kan ik zelf niet meer praten van het huilen. Gelukkig kennen ze me beter dan wie ook en zijn ze ook wel wat gewend, maar dat verhindert toch niet dat ik bijna alleen maar kan snikken en “ja, ja dat is ook zo” kan zeggen als reactie op al hun lieve en wijze woorden.

Het is blinde paniek, zo’n heimwee-aanval. Ik herken het maar al te goed en hoewel ik nu op het moment dat het gebeurt wel weet dat het irrationeel is, wil dat nog altijd niet zeggen dat je daar ook naar kunt handelen. Als elke vezel in je lijf schreeuwt dat je weg moet waar je bent, dat je gek bent dat je hier in de eerste plaats heen bent gekomen, dat je je heus voor niemand hoeft te bewijzen en dat je hier bovendien vrij weinig zult kunnen toevoegen, is het erg moeilijk om rationeel te denken “dat het wel overgaat”. Want zo voelt het niet, alsof het overgaat. Het voelt alleen maar alsof je weg, weg, weg moet en snel ook, want je kunt dit niet.

[NB voor het geval jullie me nu binnen twee dagen op Schiphol verwachten: de ratio komt altijd wel weer terug en hoewel ik nog altijd niet stralend en dansend van geluk achter mijn laptop zit, is de rust enigszins wedergekeerd. Tandjes op elkaar en even diep ademhalen. Want ik wilde dit toch zo graag?]

Where Am I?

You are currently viewing the archives for July, 2015 at Lys.