De Leven – the sequel

February 27, 2017 § 2 Comments

De afgelopen vier jaar heeft mijn tandenborstel geen vaste locatie gehad. Ik had er op een stuk of acht plekken eentje liggen. Bij vriendinnen, vriendjes, in verre landen en dichterbij. Die liggen daar waarschijnlijk nog steeds, maar nu heeft in elk geval één ervan weer een vaste plek. Sterker nog: er staan er tegenwoordig twee. Een groene en een blauwe, en ik vergeet telkens welke van mij is. Maar ik kan dat zien aan de borstelharen; hij poetst zijn tanden duidelijk harder dan ik. Soms vergeet ik te kijken en pak ik er gewoon een en dat maakt niks uit. Zo is het nu.

Sinds een paar weken kan ik ‘thuis’ na vier jaar zwerven weer iets meer continu-geografisch duiden, en heeft mijn koffer tijdelijk haar centrale rol verloren.  Dat is nog even wennen.

2016 was een kutjaar. Dat mag ik zo niet zeggen, want ik heb natuurlijk ontzéttend veel geleerd. Maar het had wel een tandje minder gemogen. Zonder, bijvoorbeeld, een gebroken hart en een paar maanden later verdomme wéér eentje (op de valreep van het jaar overigens weer gelijmd, ref. tandenborstel), existentiële- en PhD-crisis en tijdelijk moeten stoppen. Die zwarte rothond. Ophouden aan mensen uit te leggen dat hun bemoedigend bedoelde “wat een dappere beslissing!” eigenlijk geen hout snijdt, want een beslissing was het niet, maar noodzaak. Zonder zieke vader van wie de halve lever weggeopereerd moest worden, waarna hij godzijdank niet ziek bleek te zijn, wat weer voor een totaal andere mindfuck zorgde. Zonder een beroving op straat met nare gevolgen die langer duren dan gehoopt. En er is ook nog eens nog steeds geen wereldvrede.

Maar hey, zo werkt De Leven niet. Bovendien, zonder dat alles was het waarschijnlijk ook een jaar zonder de twee knapste baby’s van de wereld geweest, zonder twee keer een paar dagen met vader, moeder, broer én zus samen door te brengen, wat redelijk uniek is in het tijdperk der globetrotters. Zonder me te realiseren dat hij slecht nieuws was en jij alles wat ik altijd al wilde, zonder fantastische nieuwe (en inmiddels ex)-collega’s, zonder een koningsdag met handschoenen aan en mijn beste maat die niet kon drinken “want ik heb oproepdienst”. En toen was ik negen maanden later in Florence, nam ik om 6:30 mijn telefoon slaapdronken op om voor de tweede keer dat jaar de mooiste woorden te horen, “hij is er!” Zonder een maand in Tanzania, zonder in september aan het strand te liggen, zonder een bed in elkaar te zetten en een trap over straat te zeulen in Haarlem met een andere BFF, en zonder jou.

Zonder vorig jaar zou ik waarschijnlijk een jaar later niet in een bus zitten op weg naar Oostenrijk, om een week te gaan schaatsen met mijn vader. Het is midden in de nacht en iedereen slaapt of doet alsof. Ik ben klaarwakker. Slapen is mijn hobby maar ik bak er doorgaans weinig van.

Ik besloot onlangs, twee dagen voor het begin van het seizoen, weer te gaan schaatsen. Op vrijdagmorgen reden pa en ik naar een sportzaak om een kek pak te kopen, inclusief ingewikkeld uitziende sokken, en wond ik me nog even flink op over het feit dat er geen damesmodellen schaatsjasjes waren: het mannenmodel maat XXXL (geen grap) zit kneiterstrak om mijn heupen. ‘s Middags zat ik voor het eerst in 14 jaar weer op de bankjes van de Vechtsebanen, klaar om mijn schaatsen aan te trekken.

Alleen had mijn vader per ongeluk die van mijn zus in de tas gestopt, en die zijn twee maten te klein. (Ter verdediging van dit verwend overkomende prinsessengebeuren: vanwege mijn zwervende bestaan lagen mijn schaatsen tot nu toe bij mijn ouders thuis. En ja, hij slijpt ze voor me.) Dus zat ik even later met warme chocolademelk met slagroom in de kantine, naar mijn schaatsende vader te kijken. Even waren de rollen omgedraaid: vroeger stond en zat hij daar, elke zaterdagavond weer, te kijken naar mij, mijn broer en mijn zus.

Een week later kon ik het ijs op en vervolgens voltrok zich wekelijks hetzelfde ‘to hell and back’-scenario. Ik word doorgaans boos als dingen die ik wil, me niet direct lukken. Iedereen rijdt sneller en beter en mooier, of is oud. Of erger nog: allevier. Ik blijf excuses verzinnen voor mezelf: ik heb jaren niet gereden! Ik ben ook gewoon een beetje moe na een werkweek! Het gaat om de lol, niet om hoe het eruit ziet! Iedereen is, net zoals jij, vooral bezig met zichzelf! Maar eigenlijk vind ik het allemaal vooral een ellendige bende. Het is ook zo druk op die pestbaan, soms deinen de mensen voor mijn ogen heen en weer. Na een aantal lessen moeten we ook nog eens pootje-over de bocht door: over jeugdtrauma’s gesproken. Een paar weken later besluit ik dat ik niks wil leren, niet beter wil worden, maar gewoon wil rijden. Telkens twee keer honderd meter dan, want die klotebochten.

Als ik eind december hoor dat ik voor een halfjaar baanzekerheid heb, bel ik de organisatie waarmee mijn vader al eerder naar de Weissensee is gegaan om daar een week te schaatsen, om te vragen of er voor de aanstaande reis nog plaats is. Twee maanden later schaatsen we de benen onder ons lijf vandaan, zit ik voor het eerst van mijn leven in een skilift (hoogtepuntje) en ik ben zo trots als een pauw als ik mijn pa op de dag van de toertocht 100 kilometer verder zijn schaatsen pas uit zie trekken. Ik lach als we de volgende dag allebei tijdens een pizza-lunch zo ongeveer in slaap vallen van totale vermoeidheid die extreem gelukkig stemt. Het was de gaafste week in tijden en ik wil nooit meer lopen, alleen nog maar schaatsen. Zonder bochten.

Op 24 februari vorig jaar schreef ik een ook stukje over De Leven. Ik zat op het vliegveld van Newcastle in een bar achter een groot glas bier te wachten op mijn vlucht naar Amsterdam, en mijn vader werd op dat moment geopereerd. We wisten nog niet wat zou komen, we waren allemaal bang en hoopvol tegelijk. Een week lang waren we elke dag in het ziekenhuis. Behalve één dag, toen ging ik naar een voetbalwedstrijd. Daar lukte het voor het eerst in maanden tijd om anderhalf uur lang nergens aan te denken, en verder was ik ziende blind.

De verdere onderzoeken, het wachten en de onzekerheid waren het ergst. Op donderdagmorgen 7 april appte mijn zus vanuit het ziekenhuis dat alles goed was. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo blij ben geweest, ik kon letterlijk niet stilzitten en probeerde zoveel mogelijk mensen te bellen om door de telefoon te schreeuwen HET WAS NIKS!!! HIJ IS NIET ZIEK! ‘Gewoon een ontsteking’ was het, helemaal geen kanker. De kans daarop was bijna nihil en daarmee groot genoeg. ’s Middags moest ik naar een conferentie, georganiseerd door het Platform waar ik een aantal maanden later zou gaan werken, wat ik nog altijd doe. Dat wist ik toen allemaal nog niet. Ik vertelde aan alle bekenden die ik tegen kwam dat mijn vader niet ziek was! Vonden zij raar, ze wisten namelijk niet eens dat er iets aan de hand was geweest, maar dat kon mij weinig schelen. Ruimte voor iets anders was er helemaal niet.

Weer een 24 februari, maar nu in het jaar 2017 en terwijl ik mijn tas aan het inpakken ben realiseer ik me ineens dat ik precies dezelfde reis in omgekeerde richting af ga leggen. Verder is alles totaal anders, ik ga met de boot en om een andere reden en bovenal: niet in mijn eentje. Met tandpasta, want hij is zo iemand die denkt “dat neemt iemand anders wel mee”. Net als ik. Het meenemen van tandpasta past in het rijtje “manieren waarop ik door jou een betere versie van mezelf word”. In plaats van geen, hadden we er twee.

Twee dagen later zit ik in precies dezelfde vliegveldbar. We zitten er samen, met precies dezelfde grote biertjes voor ons en aan de horizon een regenboog. 2016 was een kutjaar, ook 2017 is tot nu toe niet om gierend enthousiast van te worden, maar het zal er allemaal wel bij horen. Ik kan in elk geval nog kilometers schaatsen met mijn vader, en alle andere dingen zijn dan ineens een stuk minder relevant.

Where Am I?

You are currently viewing the archives for February, 2017 at aliesrijper.