De Leven – the sequel

February 27, 2017 § 2 Comments

De afgelopen vier jaar heeft mijn tandenborstel geen vaste locatie gehad. Ik had er op een stuk of acht plekken eentje liggen. Bij vriendinnen, vriendjes, in verre landen en dichterbij. Die liggen daar waarschijnlijk nog steeds, maar nu heeft in elk geval één ervan weer een vaste plek. Sterker nog: er staan er tegenwoordig twee. Een groene en een blauwe, en ik vergeet telkens welke van mij is. Maar ik kan dat zien aan de borstelharen; hij poetst zijn tanden duidelijk harder dan ik. Soms vergeet ik te kijken en pak ik er gewoon een en dat maakt niks uit. Zo is het nu.

Sinds een paar weken kan ik ‘thuis’ na vier jaar zwerven weer iets meer continu-geografisch duiden, en heeft mijn koffer tijdelijk haar centrale rol verloren.  Dat is nog even wennen.

2016 was een kutjaar. Dat mag ik zo niet zeggen, want ik heb natuurlijk ontzéttend veel geleerd. Maar het had wel een tandje minder gemogen. Zonder, bijvoorbeeld, een gebroken hart en een paar maanden later verdomme wéér eentje (op de valreep van het jaar overigens weer gelijmd, ref. tandenborstel), existentiële- en PhD-crisis en tijdelijk moeten stoppen. Die zwarte rothond. Ophouden aan mensen uit te leggen dat hun bemoedigend bedoelde “wat een dappere beslissing!” eigenlijk geen hout snijdt, want een beslissing was het niet, maar noodzaak. Zonder zieke vader van wie de halve lever weggeopereerd moest worden, waarna hij godzijdank niet ziek bleek te zijn, wat weer voor een totaal andere mindfuck zorgde. Zonder een beroving op straat met nare gevolgen die langer duren dan gehoopt. En er is ook nog eens nog steeds geen wereldvrede.

Maar hey, zo werkt De Leven niet. Bovendien, zonder dat alles was het waarschijnlijk ook een jaar zonder de twee knapste baby’s van de wereld geweest, zonder twee keer een paar dagen met vader, moeder, broer én zus samen door te brengen, wat redelijk uniek is in het tijdperk der globetrotters. Zonder me te realiseren dat hij slecht nieuws was en jij alles wat ik altijd al wilde, zonder fantastische nieuwe (en inmiddels ex)-collega’s, zonder een koningsdag met handschoenen aan en mijn beste maat die niet kon drinken “want ik heb oproepdienst”. En toen was ik negen maanden later in Florence, nam ik om 6:30 mijn telefoon slaapdronken op om voor de tweede keer dat jaar de mooiste woorden te horen, “hij is er!” Zonder een maand in Tanzania, zonder in september aan het strand te liggen, zonder een bed in elkaar te zetten en een trap over straat te zeulen in Haarlem met een andere BFF, en zonder jou.

Zonder vorig jaar zou ik waarschijnlijk een jaar later niet in een bus zitten op weg naar Oostenrijk, om een week te gaan schaatsen met mijn vader. Het is midden in de nacht en iedereen slaapt of doet alsof. Ik ben klaarwakker. Slapen is mijn hobby maar ik bak er doorgaans weinig van.

Ik besloot onlangs, twee dagen voor het begin van het seizoen, weer te gaan schaatsen. Op vrijdagmorgen reden pa en ik naar een sportzaak om een kek pak te kopen, inclusief ingewikkeld uitziende sokken, en wond ik me nog even flink op over het feit dat er geen damesmodellen schaatsjasjes waren: het mannenmodel maat XXXL (geen grap) zit kneiterstrak om mijn heupen. ‘s Middags zat ik voor het eerst in 14 jaar weer op de bankjes van de Vechtsebanen, klaar om mijn schaatsen aan te trekken.

Alleen had mijn vader per ongeluk die van mijn zus in de tas gestopt, en die zijn twee maten te klein. (Ter verdediging van dit verwend overkomende prinsessengebeuren: vanwege mijn zwervende bestaan lagen mijn schaatsen tot nu toe bij mijn ouders thuis. En ja, hij slijpt ze voor me.) Dus zat ik even later met warme chocolademelk met slagroom in de kantine, naar mijn schaatsende vader te kijken. Even waren de rollen omgedraaid: vroeger stond en zat hij daar, elke zaterdagavond weer, te kijken naar mij, mijn broer en mijn zus.

Een week later kon ik het ijs op en vervolgens voltrok zich wekelijks hetzelfde ‘to hell and back’-scenario. Ik word doorgaans boos als dingen die ik wil, me niet direct lukken. Iedereen rijdt sneller en beter en mooier, of is oud. Of erger nog: allevier. Ik blijf excuses verzinnen voor mezelf: ik heb jaren niet gereden! Ik ben ook gewoon een beetje moe na een werkweek! Het gaat om de lol, niet om hoe het eruit ziet! Iedereen is, net zoals jij, vooral bezig met zichzelf! Maar eigenlijk vind ik het allemaal vooral een ellendige bende. Het is ook zo druk op die pestbaan, soms deinen de mensen voor mijn ogen heen en weer. Na een aantal lessen moeten we ook nog eens pootje-over de bocht door: over jeugdtrauma’s gesproken. Een paar weken later besluit ik dat ik niks wil leren, niet beter wil worden, maar gewoon wil rijden. Telkens twee keer honderd meter dan, want die klotebochten.

Als ik eind december hoor dat ik voor een halfjaar baanzekerheid heb, bel ik de organisatie waarmee mijn vader al eerder naar de Weissensee is gegaan om daar een week te schaatsen, om te vragen of er voor de aanstaande reis nog plaats is. Twee maanden later schaatsen we de benen onder ons lijf vandaan, zit ik voor het eerst van mijn leven in een skilift (hoogtepuntje) en ik ben zo trots als een pauw als ik mijn pa op de dag van de toertocht 100 kilometer verder zijn schaatsen pas uit zie trekken. Ik lach als we de volgende dag allebei tijdens een pizza-lunch zo ongeveer in slaap vallen van totale vermoeidheid die extreem gelukkig stemt. Het was de gaafste week in tijden en ik wil nooit meer lopen, alleen nog maar schaatsen. Zonder bochten.

Op 24 februari vorig jaar schreef ik een ook stukje over De Leven. Ik zat op het vliegveld van Newcastle in een bar achter een groot glas bier te wachten op mijn vlucht naar Amsterdam, en mijn vader werd op dat moment geopereerd. We wisten nog niet wat zou komen, we waren allemaal bang en hoopvol tegelijk. Een week lang waren we elke dag in het ziekenhuis. Behalve één dag, toen ging ik naar een voetbalwedstrijd. Daar lukte het voor het eerst in maanden tijd om anderhalf uur lang nergens aan te denken, en verder was ik ziende blind.

De verdere onderzoeken, het wachten en de onzekerheid waren het ergst. Op donderdagmorgen 7 april appte mijn zus vanuit het ziekenhuis dat alles goed was. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo blij ben geweest, ik kon letterlijk niet stilzitten en probeerde zoveel mogelijk mensen te bellen om door de telefoon te schreeuwen HET WAS NIKS!!! HIJ IS NIET ZIEK! ‘Gewoon een ontsteking’ was het, helemaal geen kanker. De kans daarop was bijna nihil en daarmee groot genoeg. ’s Middags moest ik naar een conferentie, georganiseerd door het Platform waar ik een aantal maanden later zou gaan werken, wat ik nog altijd doe. Dat wist ik toen allemaal nog niet. Ik vertelde aan alle bekenden die ik tegen kwam dat mijn vader niet ziek was! Vonden zij raar, ze wisten namelijk niet eens dat er iets aan de hand was geweest, maar dat kon mij weinig schelen. Ruimte voor iets anders was er helemaal niet.

Weer een 24 februari, maar nu in het jaar 2017 en terwijl ik mijn tas aan het inpakken ben realiseer ik me ineens dat ik precies dezelfde reis in omgekeerde richting af ga leggen. Verder is alles totaal anders, ik ga met de boot en om een andere reden en bovenal: niet in mijn eentje. Met tandpasta, want hij is zo iemand die denkt “dat neemt iemand anders wel mee”. Net als ik. Het meenemen van tandpasta past in het rijtje “manieren waarop ik door jou een betere versie van mezelf word”. In plaats van geen, hadden we er twee.

Twee dagen later zit ik in precies dezelfde vliegveldbar. We zitten er samen, met precies dezelfde grote biertjes voor ons en aan de horizon een regenboog. 2016 was een kutjaar, ook 2017 is tot nu toe niet om gierend enthousiast van te worden, maar het zal er allemaal wel bij horen. Ik kan in elk geval nog kilometers schaatsen met mijn vader, en alle andere dingen zijn dan ineens een stuk minder relevant.

Advertisements

Zuur genieten.

September 29, 2016 § 2 Comments

Vanmorgen werd ik wakker met een dik oog en een dikke wang. Er was in de nacht een mug losgegaan op mijn gezicht.

’s Middags ga ik op de fiets naar een bezichtiging van een studiootje in Den Haag, trap ik me een ongeluk want ohja, het waait in Den Haag altijd harder dan in de rest van Nederland. Of nouja, dan op plekken die niet in de buurt van de zee zijn.

Dan gaat het regenen en word ik chagrijnig. Ik word doorgaans van ongeveer alles chagrijnig (opstaan, bijvoorbeeld, of ademende mensen) dus dat is op zich geen nieuws. Ik fiets drie keer verkeerd en zet uiteindelijk mijn fiets ergens neer en moet dan nog een takke-end lopen omdat ik natuurlijk het huisnummer verkeerd had onthouden, en bovendien aan de even kant van de straat loop terwijl ik aan de oneven kant moet zijn.

Het huis heeft een systeemplafond en geen wastafel in de badkamer, en geblindeerde stroken op de ramen. Bovendien ruikt het muf. Hier wil ik niet wonen, en tien minuten later sta ik weer buiten. Regent het echt onnoemelijk hard. Ik schuil even in een bushokje, het blijft maar regenen en de lucht blijft grijs dus ik stap toch maar op mijn fiets. Binnen een minuut helemaal doorweekt. Maar dan ook écht. Ik ben zelden zó natgeregend op een fiets, en aangezien ik zes jaar lang elke schooldag tien kilometer heen, en weer tien kilometer terug over een polderweg naar en van school fietste, is dat toch een prestatie.

Het regent zo hard dat ik regen gemengd met haarlak en gezichtscrème proef, en er staat een laagje water ín mijn pumps. Ik verlies er eentje onderweg waardoor ik moet stoppen en hinkelend terug moet over het fietspad, en steek mijn middelvinger op naar de automobilist die mij geen voorrang verleent terwijl hij dat wel had moeten doen.

Ongeveer halverwege besluit ik dat ik toch moeilijk in de trein kan gaan zitten terwijl ik eruit zie alsof ik een gracht in gefietst ben. Dus ik rijd richting de Zeeman (mijn no-sweatshop-principes zijn ineens verdwenen), koop een handdoek, joggingbroek en shirt, onderhandel met het personeel (“nee, je kunt helaas geen gebruik maken van de personeelsruimte want die zijn ze aan het verbouwen, en we hebben ook geen pashokjes. Je kunt wel in de winkel omkleden”), en even later sta ik in mijn ondergoed in een hoekje van de winkel (no shame). Daarna in een joggingbroek en een zwart shirt. Mét pumps, want mijn sneakers ben ik vergeten mee te nemen van kantoor.

Ik koop ook een paraplu en vol goede moed loop ik weer naar mijn fiets. Het is toch wat kouder dan verwacht, dus ik maak nog even een stop bij de H&M (principes zijn nog altijd in geen velden of wegen te bekennen) en koop een trui. Onderweg naar het station ga ik bijna onderuit omdat ik een zware tas met zeiknatte broek, shirt en jas aan mijn stuur heb hangen en mijn band uitglijdt over een kastanje, en vloek ik nog even extra naar alle automobilisten die lekker droog zitten in hun dikke glimmende aso-bakken en die voluit door de plassen vlak langs me rijden. De luipaardprintparaplu (leek me wel goed passen bij het joggingpak) van drie euro begeeft het bij de eerste de beste windvlaag, en hoewel ik prima kan fietsen met een tas aan mijn schouder, een tas vol zeiknatte kleren aan mijn stuur en een paraplu in mijn hand, kan ik niet met dat alles en zónder handen fietsen. Dus is mijn linkerarm doorweekt en zijn mijn benen dat eigenlijk ook.

Dan die ellendige fietsenflat in. Op. Omhoog lopen met een zware omafiets en alle voorgenoemde attributen én dus op die pumps, die bovendien de hele tijd uit schieten omdat er een half kanaal water in zit.

Ik ben op de eerste verdieping en ik heb zin om mijn fiets gewoon ergens in een hoek te flikkeren. Ik moet naar de tweede, want op de eerste mag je geen fietsen meer parkeren omdat ze daar gaan verbouwen (ik hoop dat ze er allemaal liften in gaan monteren). Ik heb nog drie minuten om mijn trein te halen en ook het principe van “ik ren nooit voor een trein, tram, metro of bus” moet eraan geloven, want ik wil écht heel graag naar huis, en niet nog een halfuur wachten. Natuurlijk rijdt de trein voor mijn neus weg en dan ben ik even een van de mensen die ik normaal gesproken altijd geamuseerd bekijk. Die helemaal los gaan als ze hun trein missen. Nou ging ik niet echt los (althans, niet voor de buitenwereld), maar ik gooide wel melodramatisch mijn hoofd in mijn nek en sloeg mijn ogen ten hemel. “Mijn god waarom hebt gij mij verlaten”. Ohnee, dat was een ander episch drama.

Goed. Ik moet onderhand ook wel een beetje om mezelf lachen, met m’n zware leven, hoewel ik bij het bankje aangekomen al mijn spullen erop flikker (waardoor de puberjongen die op de hoek zit een beetje schrikt) en fulminerend met een vriendin bel. Die ik nauwelijks versta, want de microfoon van mijn telefoon heeft een vorig telefoongesprek tijdens de zonddvloed niet overleefd. Na een halfuur is daar mijn trein.

Alle andere natgeregende mensen kijken elkaar meelevend aan en moeten een beetje lachen. De hysterisch met zijn been bewegende jongen naast me is zichtbaar geërgerd wanneer hij merkt dat ik er in Gouda uit moet, waardoor hij eigenlijk zijn laptop zou moeten dichtklappen, zijn rugtas die voor zijn stoel staat zou moeten wegzetten en op zou moeten staan. Dat doet hij niet, waardoor ik half over hem heen moet klimmen, dus ik bots per ongeluk even met mijn zeiknatte tas tegen hem aan. Lamlul.

Op het immer pittoreske station Gouda ga ik linea recta naar de Kiosk. Toen ik in Den Haag mijn trein miste wilde ik namelijk heel graag patat kopen maar dan had ik de hal weer in moeten lopen en dat had mijn toch al zo moeilijke realiteit er een stuk ellendiger op gemaakt. Bij de Kiosk koop ik een frikandelbroodje en Snickers. Ik geloof dat ik geen principes meer heb (ik ben namelijk vegetariër en ik heb me een tijd geleden voorgenomen om alleen nog maar Tony’s chocola te eten).

Dan is het tijd voor de sprinter. Ik lach kiespijnerig naar de jongen tegenover me en staar, waarschijnlijk met een blik op onweer, uit het raam. Zie mezelf weerspiegeld en merk dan op dat ik echt enorme vegen mascara op mijn wangen heb. Een beetje zoals wanneer je in de zomer gaat zwemmen met niet-waterproof-mascara (“ik ben zooooo lelijk zonder!”). Of hoe je wakker wordt als je te laat en te bezopen je bed bent in gerold, de nacht ervoor.

Daarmee had ik dus al een halfuur op een station gezeten, oogcontact makend met diverse mensen, twintig minuten in een trein (idem dito), een praatje gemaakt met het meisje van de Kiosk en geglimlacht naar medepassagiers in trein twee.

Charmant.

In Breukelen aangekomen loop ik naar mijn fiets, schop ik mijn schoenen uit en rijd ik met blote voeten naar huis, mik woedend een diepvriespizza in de oven die niet te vreten blijkt, en zwelg mee met het nieuws over de wereldproblemen van andere mensen zoals leraren in het basisonderwijs die zelf watten en rubberbladletters kopen voor knutselwerkjes, mensen die hun gekorte AOW verhalen op ‘de Duitsers’, de krachtige naam van Van Gansewinkel, en het privéleven en handschrift (“Heel regelmatig hè?” “Ja, het is een heel mooi regelmatig handschrift”) van Mata Hari.

De allergrootste grap is misschien wel dat ik vorige week ben begonnen met een cursus Mindfulness. Die is duidelijk niet berekend op de effecten van regenbuien na een lange werkweek.

De Leven

March 4, 2016 § 5 Comments

‘Kinderen van de Wereld’, het klinkt een beetje als de titel van een nieuw Kinderen voor Kinderen album, of een oproep van een of andere stichtelijke zendingsclub (is dit een pleonasme?) om mee te helpen de wereld te redden. Maar nee, het is de naam van de app-groep van mijn broer, zusje en mij. Of eigenlijk is het een Telegram-groep, want naar goed links gebruik wordt Het Systeem gewantrouwd. Waarschijnlijk om valide redenen, maar ik ben te lui om me erin te verdiepen en vertoon teveel kuddegedrag om er iets aan te doen, dus ik whatsapp verder met iedereen. Er wordt vandaag druk heen-en-weer bericht. We zijn alle drie op weg naar ‘huis’ (daar waar je ouders zijn, in dit geval); uit Durham, Leipzig en Amsterdam. Onze vader heeft een kwaadaardige tumor in zijn lever en wordt geopereerd. Mijn zusje is al thuis en wacht daar met mijn moeder op het telefoontje van het ziekenhuis. Mijn broer zit in de trein, op een gegeven moment zeer gefrustreerd vanwege wat uiteindelijk een 4-uur-lange vertraging zou worden. En ik zit op Newcastle Airport met toch nog maar een biertje voor me.

Vlak voordat ik moet boarden bericht mijn zusje dat de operatie technisch geslaagd is, en ik kan enigszins opgelucht het vliegtuig in. Met nog wel een steen in mijn maag – want we weten nog niet wat er nu gaat gebeuren, misschien heeft hij straks wel heel veel pijn, ik heb net via de telefoon ruzie gemaakt met iemand, en heb een paar uur daarvoor een (figuurlijk) bommetje gedropt op de uni. Daarover later meer.

Terwijl mijn vader ziek is, is een van mijn beste vriendinnen zwanger. Een paar weken geleden werd er een nieuwe pyjama en badjas gekocht voor mijn vader, leerde mijn moeder hoe ze moet tanken. Mijn vriendin laat me de piepkleine babykleertjes zien, in genderneutraal (ha-ha) mintgroen, want we weten nog niet of het een jongetje of meisje zal zijn.

Ik chat met een vriend in Bujumbura die de eindjes nauwelijks meer aan elkaar kan knopen omdat door de crisis alles zoveel duurder is geworden, maar me niet om hulp durft te vragen omdat hij zich schaamt en bang is dat we dan geen vrienden meer zullen zijn. Praktisch tegelijkertijd heb ik een andere vriend klappertandend van de malaria aan de telefoon, waarbij het toestel om de zoveel zinnen uit zijn handen valt omdat hij zo trilt dat hij dat niet meer vast kan houden. Hij laat de volgende dag weten dat hij niet aan medicijnen kan komen; door gebrek aan buitenlands geld kopen apotheken nauwelijks meer medicijnen in. Krijg ik een mail van iemand die me ontzettend dierbaar is, met meer mooie woorden dan ik ooit bij elkaar gezien heb, en zit ik tegelijkertijd in een halfslachtige relatie die me eigenlijk niet gelukkig maakt. Wat ik niet wil accepteren, en er daarom maar niet uit lijk te kunnen stappen. Leef ik in een raar soort limbo gevuld met schuldgevoel, teleurstelling en opluchting omdat ik op de universiteit heb laten weten dat ik er een paar maanden tussenuit moet, omdat de spanning in mijn hoofd en lijf zo hoog is opgelopen dat ik er niet meer van functioneer. Waar één van mijn promotoren bijzonder begripvol op reageerde, de ander vooral zakelijk, en de derde gewoon helemaal niet. Wat dan weer tot meer piekeren leidde. Want modder in je hoofd, dat is toch vooral een teken van zwakte en onbekwaamheid. Zeker in universiteitsland.

De Leven is een clusterfuck.

Ernstige ziekten, die overkomen andere mensen, niet jou of je familie. Dat is dat afschuwelijke waar je over hoort en denkt: ik hoop dat ons dat nooit overkomt, want ik zal niets meer kunnen.

Het gekke is dat dat niet waar is, want alles gaat eigenlijk gewoon door. Wanneer de internist het slechte nieuws brengt barst je niet in hysterisch huilen uit en gooi je niets door het raam, zoals je je dat altijd had ingebeeld in je hoofd, als je gedachten naar dit soort moeilijke moment die wellicht ooit maar hopelijk nooit zouden plaatsvinden, afdwaalden. Je knikt zakelijk en schrijft op wat er gezegd wordt en denkt expres niet verder dan het volgende nieuws-moment. En in de tussentijd modder je maar wat aan.

Je zegt dat je er niet de hele dag mee bezig bent, “het valt eigenlijk best mee”, maar onbewust ben je dat wel en is het er ineens altijd. De spanning gaat onder je huid zitten en dat merk je pas echt als er die Grote Momenten zijn, in ons geval godzijdank altijd van opluchtingen. Zijn er uitzaaiingen, is het operabel, wat zijn de kansen, is de operatie geslaagd, zijn er complicaties, mag hij naar huis. Nu alleen nog: wat komt er verder? Of misschien nog wel meer, maar daar denk ik dus vakkundig nog niet over na. Je verbaast je over de veerkracht van mensen (in ontwikkelingssamenwerkingsjargon heb ik een enorme hekel aan de term, maar dat is een andere discussie) en bent daar ook heel trots op, wanneer je ziet hoe het verdriet en de pijn gedragen en gedeeld worden.

Intussen gaat het gewone leven door, hoewel bij mij toch niet helemaal. Ik heb me praktisch ziek gemeld op mijn werk en heb dus ineens alle tijd van de wereld, wat zowel een vloek als een zegen is. Het is in elk geval nog even wennen. Als ik, terwijl ik dit type (om 4:49; slapeloosheid is het ook in 2016 helemaal) in de spiegel tegenover me kijk, mijn gezicht verlicht door mijn laptop, zie ik een grijs hoofd met wallen die steeds donkerder en dieper lijken. Overdag valt dat dankzij de uitvinders van BB-cream en de föhn gelukkig nog wel mee. Van al mijn hardwerkende vrienden en vriendinnen vind ik het geoorloofd als ze even een pas op de plaats maken, maar van mezelf natuurlijk niet. Want kom nou, je moet gewoon wat harder je best doen en bovendien ben je niet levensbedreigend fysiek ziek, je woont in een extreem welvarend land en je hebt alle kansen van de wereld – dus pak ze dan! Dat ik in de tussentijd desondanks al maanden niks gedaan krijg en ik daarmee de Struisvogel van het Jaar ben, laten we vooral buiten beschouwing.

Je gaat ineens van alles bagatelliseren en tegelijkertijd is je emotionele bandbreedte zo ingeperkt dat triviale zaken werelddrama’s worden. (Of nouja, dat is eigenlijk wel een beetje mijn standaard-modus geloof ik). Je stelt je dus éigenlijk aan als je al een hele tijd op je tandvlees loopt en dat nu aan durft te pakken, maar als je lievelingschips op is krijg je in de supermarkt een nervous breakdown. En je mag niet zeuren want je spreekt dagelijks met vrienden wier toekomstperspectief, levend in een autoritaire staat met groeiende onveiligheid en onzekerheid, en -5,7% economische groei, niet minder dan gitzwart te noemen is. Maar als in Engeland blijkt dat Downton Abbey daar niet op Netflix beschikbaar is ben je toch zeker een paar uur flink chagrijnig.

Ik schreef eerder dat verdriet zo moeilijk te delen is, en daarmee bedoelde ik eigenlijk vooral ‘te vergelijken’. Met aanname twee ben ik het nog steeds eens, aanname één verklaar ik bij dezen als onjuist. Goed, het is moeilijk maar het kan wel, het wordt er echt lichter van ook al begrijpt de ander het niet helemaal, en ik kan het daarom iedereen aanraden. Mensen zijn inherent Goed, daar ben ik van overtuigd, en het is toch best prettig dat bevestigd te zien als je op tv wordt overspoeld door duister, verdoemenis en Donald Trump. De lokale groenteman bijvoorbeeld, die mijn ouders nog maar een paar maanden kent omdat ze pas verhuisd zijn, die mij nog maar één keer gezien heeft maar me toch herkende toen ik eergisteren boodschappen kwam doen. Die een zak vol druiven en mandarijnen meegaf, “die moet je vader opeten. Zeg maar dat ik ze ingestraald heb”, die zich niets aantrok van de andere wachtende klanten maar met oprechte belangstelling en heel veel mooie woorden (en een paar goeie vloeken) een praatje maakte. En die, toen mijn moeder twee dagen later vertelde dat mijn vader weer thuis is en dat alles goed gaat, een doosje aardbeien meegaf met de boodschap “omdat je me vandaag gelukkig hebt gemaakt”. Een niet-aflatende stroom kaartjes en telefoontjes, de kracht van onderdeel zijn van een religieuze gemeenschap (waar ik persoonlijk niks mee heb, hoewel tijdens de Evensong in Durham vorige week 45minuten lang de sluizen open gingen), je realiseren wat vriendschappen waard zijn en hoe belangrijk een gezond lijf is – tegelijkertijd merken dat wijn en bier je coping mechanismen zijn, wat een en ander dan weer enigszins tegenspreekt.

Zoals de zaalarts in het ziekenhuis ook al zei: “we doen allemaal maar wat.”

De ondeelbaarheid van verdriet, #3

July 31, 2015 § 1 Comment

Twee dagen voor mijn geplande vertrek naar Burundi slaat de ondeelbaarheid van verdriet (zie hier en hier) weer toe, toch nog onverwacht. Ik heb afgesproken met een vriend uit Bujumbura die na de staatsgreep in mei naar Kigali vertrokken is; het werd hem te heet onder de voeten, wonend in een van de protestwijken en bang voor wat de toekomst zal brengen. Hij zit hier nu sinds eind mei, zonder werk, en we spraken af iets te gaan eten en drinken.

Ondanks dat een gezamenlijke vriend me al had gewaarschuwd voor z’n staat-van-zijn, schrok ik me een ongeluk toen ik hem zag. Dof, mager. Heel mager, “dat komt door de zorgen”, wijzend naar zijn hart en hoofd. Die van mij braken, hart en hoofd. Maar ik lachte het weg: “laten we dan maar snel wat gaan eten!” en ik sloeg een arm om hem heen. En schrok weer, want het was net of je in de lucht greep.

In mei sliep ik een week bijna niet, en twee weken heel slecht, van de zorgen om een heel aantal vrienden en vooral een specifiek gezin in Bujumbura. Dat vond ik hypocriet, en ik wilde er niet over schrijven want ik wilde niet dat het zou lijken alsof ik mezelf en mijn verdriet centraal zou stellen. Maar nu, een paar dagen voor vertrek en waarschijnlijk nog meer verdriet, moedeloosheid en woede, moet het toch maar.

De verhalen die hij me gisteren vertelde zijn niet nieuw: ik heb erover gelezen en ervan gehoord, ik weet het allemaal. Maar het maakt nogal een verschil om het in algemeenheid te lezen, of het te horen van iemand die tegenover je zit, aan wie je kunt zien en voelen wat dit met je doet, bovendien iemand die je redelijk goed kent, met wie je al bijna vijf jaar (toegegeven, af en toe) contact hebt en die je een warm hart toedraagt. Ik probeerde grapjes te maken, de gespreksonderwerpen te veranderen, maar hij wilde graag praten over wat er in zijn thuisland aan de hand is en waar moet je het ook anders over hebben? Wat hij doet de hele dag? Niets, want hij is werkloos. Behalve zijn zus en zijn vriendin zit bijna iedereen nog in Burundi, en hij durft niet terug omdat er geruchten zijn dat er vlak na de grens gecontroleerd wordt uit welke wijk je komt (dit staat in je papieren. Toen hij me dit liet zien viel mijn oog op zijn geboortejaar, 1989, net als mijn zusje. Ik kreeg toen heel veel zin om de tafel om te gooien en te gillen om de oneerlijkheid), en het valt te raden wat er gebeurt als je uit een van de ‘protestwijken’ komt.

In mei schreef ik: “een week lang ga ik met buikpijn en een zwaar hoofd slapen, en ben ik bang voor het nieuws als ik wakker word. Ik heb nachtmerries en word om het uur wakker. Om een uur of half zes grijp ik met trillende, klamme handen naar mijn telefoon en met een steen in mijn maag open ik Twitter en Facebook: zijn de protesten uit de hand gelopen? Zijn de geruchten nu dan werkelijkheid geworden? Wordt de wijk waar een van mijn dierbaarste vrienden met zijn gezin woont, genoemd? (Hoe) zijn ze de nacht doorgekomen? Ik wacht tot het in Amerika ook dag is, want dan kan ik praten met de mensen die dit op eenzelfde manier ervaren, die het gezin in kwestie ook goed kennen en met wie we proberen een oplossing te vinden. De volgende dag bel ik heel vroeg ’s morgens met de vader van het gezin; ze gaan naar het binnenland. Vader, moeder, zes kinderen waarvan de jongsten krap één en drie jaar oud zijn. Hij belt me om te zeggen dat ze vertrekken, en zal me weer bellen als ze aangekomen zijn. Onderweg zijn er de nodige obstakels en ik druk hem op het hart te zeggen dat ze familie gaan bezoeken, eventueel belastende foto’s, smsjes en filmpjes van zijn telefoon en laptop te verwijderen, want die worden gecontroleerd. Ik hang op en heb zin om iemand heel hard in zijn gezicht te stompen. Wat voor gesprek heb ik zojuist in godsnaam gevoerd?

Ik heb een kater maar ik heb niet eens gedronken. Mijn ogen zijn dik en droog van weinig slaap, van het onophoudelijk turen naar een beeldscherm, ondanks het vele huilen. Mijn wijsvinger heeft bijna kramp van het f5-en, ha-ha.

De ondeelbaarheid verdriet – een terugkerend thema, evenals de ver-van-je-bed-show. Want ik krijg geen buikpijn van Syrië (hoewel, als ik er genoeg over nadenk waarschijnlijk ook). Daar ken ik niemand. Natuurlijk, ik zou geen leven hebben als alles me zo zou raken als dit. Tegelijkertijd boosheid: dit is niet heel professioneel gedrag. Kan ik wel onderzoek doen in een land als ik me de gebeurtenissen zo aantrek? Moet ik geen manier vinden hiermee om te gaan, want straks wordt het écht oorlog en hoe ga ik er dan voor zorgen dat ik niet elke dag met buikpijn van de bezorgdheid en hoofdpijn van slaapgebrek zit, en probeer te werken? Daarnaast: ik beschuldig me ervan mijn eigen verdriet, om hun verdriet, centraal te stellen. Het voelt alsof ik dit eigenlijk niet mag schrijven; mijn emoties vallen in het niet bij die van mensen die dit lijfelijk doormaken.

Ik kan nauwelijks geloven dat dit echt gebeurt; hij heeft zoveel opgebouwd de afgelopen jaren, is van zover gekomen, en er was zoveel hoop op een nieuw begin. Het klinkt ontzettend zijig en als iemand anders het zou zeggen zou ik er waarschijnlijk cynisch om lachen, maar het land dat vier jaar geleden under my skin ging zitten en me zo fascineerde, waar ik vervolgens wekelijks aan dacht, dat zo waanzinnig mooi is met zulke leuke mensen en gestoorde verhalen, het meer, brochettes met biertjes, en zoveel mensen die hun verhalen met mij wilden delen, dat land met een zilveren randje: dat gaat helemaal naar de tering. Burundi is ineens in het nieuws – omdat het nieuws is. Maar ik kan toch moeilijk een potje gaan zitten janken op de radio.”

“Je moet het je niet zo aantrekken” – je zou ze de kost moeten geven, de mensen die dit tegen me gezegd hebben, over een veelheid aan onderwerpen overigens. Maar ik wil een betrokken wetenschapper worden (mocht dat er ooit van komen, misschien ook wel niet, dus wellicht moet ik het houden bij ‘een betrokken werkend mens’. Ofzo.), niet afgestompt. Ik wil wat er nu gebeurt in Burundi niet zien als een “excellent opportunity”, (waar deze vandaan komt laat zich raden), of juist als een obstakel voor mijn onderzoek. Ik wil erover vertellen omdat ik het belangrijk vind dat de wereld weet wat er gebeurt, dat we gezamenlijk kunnen nadenken over oplossingen, dat we in elk geval niet kunnen zeggen dat we het niet wisten. Aim high, ik weet het. En wat weet ik nou helemaal?

Ik maak me dus op voor een storm aan emoties en verdriet, gezien het aantal Burundese vrienden dat ik de komende dagen zal gaan zien en de voortdurende crisis. En nu maar hopen dat ik het voor elkaar krijg dat om te vormen in iets functioneels en productiefs, want van moedeloosheid is nog nooit iemand beter geworden – Burundezen allerminst. Of zoals een andere goede vriend uit Bujumbura, net getrouwd en vader geworden, in mei tegen me zei (we bespraken de gefaalde coup-poging): “Ik ben dankbaar, want we zijn gezond, we leven nog. Ik kan het me niet permitteren depressief te zijn. Ik moet hoop hebben, anders word ik gek.”

P-p-p-p-pokerface

July 13, 2015 § 3 Comments

Heel veel anders dan een bak ellende kan ik dit stuk niet noemen, dus weet waar je aan begint. Al een week of drie zweven er delen in mijn hoofd en het komt nu op niet al te gestructureerde wijze op papier terecht. Bovendien is het een stuk dat wellicht beter anoniem geschreven had kunnen worden, maar dan denk ik weer aan Connie Palmen en ach: misschien heeft iemand nog iets aan mijn onvolkomenheden.

Ik schrijf dit met heel hard Lady Gaga aan en ik heb heel veel zin in heel veel (slechte) whisky met toch maar wat cola omdat het anders zo vies is, en een dansvloer met een muur die uit een spiegel bestaat en discolampen, discorook en duizend mensen die met je willen dansen, en dat het dan niet eens meer uitmaakt of het Nepalese blauwpetten zijn of Congolezen, of Belgen die voor het eerst in weken weer eens een nieuwe petite muzungette zien en daar en masse op af gaan alsof je Angelina Jolie (huhu leuk in de context) zelve bent.

Eigenlijk was ik interviews aan het uittypen maar ik werd er chagrijnig van omdat ik al deze blur, die blijkbaar al even dwarszit, eerst kwijt moest. Want het is zo’n enorme tyfuszooi in Congolees NGO-land. Congo zelf functioneert natuurlijk heus op z’n eigen manier, en mensen zijn echt niet alleen maar zielig, daar gaat het niet om. Ze gaan alleen nog wel altijd dood aan diarree, vrouwen baren tien kinderen (ja sorry, dat is mijn dingetje – één kind lijkt me al afschuwelijk, laat staan tien, laat staan met de medische zorg hier), en laten we het over de veiligheidssituatie maar even niet hebben. Ik ben vergeten wat het kost om Monusco per dag draaiende te houden, misschien ook wel expres, want ik werd er letterlijk naar van.

En je weet natuurlijk best dat de wereld een ellende is en dat niemand er wat aan heeft als jij erover gaat zitten huilen in een hoekje, of als je je naar de kolere zuipt in een nachtclub in Butembo waar je ongetwijfeld officieel niet eens heen mag want onveiligheid (sorry, het is wat het is), maar soms zijn dat blijkbaar de dingen die je moet doen om een dag (of twee, in het geval van de alcohol) later weer met een open blik dat veld in te kunnen, om te luisteren naar mensen en om te analyseren wat er wel, en wat er niet goed is gegaan.

In de hoop dat een volgend project verbetert, in de wetenschap dat er heus wel vooruitgang is, wat dat dan ook moge zijn, proberend niet al te cynisch te raken van het feit dat ook jij tot een karikatuur verworden bent, in elk geval af en toe. Hoewel het eigenlijk niet zo is dat ik me hier nu extreem anders gedraag dan in Nederland/Engeland, maar de context is toch wel een beetje anders. “Don’t let it get you down, let it get you up and angry”, aldus een dierbare vriend toen ik in 2008 hoorde dat het weeshuis waar ik die zomer nog werkte, bewust in de fik was gestoken vanwege een conflict tussen de eigenaar (extreem corrupte wannabe politicus die al het hulpgeld achterover sloeg maar aanbeden werd door de kinderen, om te kotsen) en een andere politicus met wie hij overhoop lag, tegelijk ook de eigenaar van de grond waarop het weeshuis gebouwd was.

Goed, waar dit allemaal vandaan komt? Frustratie en onvermogen. Evaluatiewerk is frustrerend als je normaal gesproken (pogingen tot) academisch onderzoek doet, zeker als je redelijk perfectionistisch en detaillistisch bent. Daarover later wellicht meer. Congo is frustrerend als je een beetje moeite hebt met verwachtingsmanagement, ongeduld en teleurstellingen (meer over waarom ik eigenlijk totaal ongeschikt ben voor de landen waar ik toch telkens weer terecht kom, hier). Als je bovendien een eeuwig schuldgevoel met je meezeult: deze ongelijkheid is onrechtvaardig en zou er niet moeten zijn maar het voelt alsof ik er niets aan kan doen.

Samen met mijn twee (overigens heel slimme en leuke) onderzoeksassistenten praat ik per dag zo’n vier tot vijf uur met groepen mensen en individuen, over bepaalde ontwikkelingsinterventies van de afgelopen jaren. Een greep uit de frustratie: ontevreden (gedesillusioneerde) mensen, liedjes-van-verlangen. Eindeloze vragen of ik niet alsjeblieft aan de NGO’s die ik ken kan vragen of ze de projecten willen voortzetten. Nieuwe schoolgebouwen vol kinderen van wie de ouders geen schoolgeld kunnen betalen, leraren die door de staat worden betaald (…ik zal er niet over uitweiden) of vanuit geld van de scholen zelf, opgebracht door ouders (wederom: …), dorpen waar geen nieuwe scholen zijn gebouwd en kinderen dus nog in lokalen met lekkende daken en open ramen zitten. Gezondheidscentra met halfvergane matrassen en kamers die zo muf ruiken dat je er naar van wordt. Als het boeren gelukt is meer te produceren dan voorheen dan is er wel een probleem met de vermarkting ervan, bovendien krijgen mensen nog altijd erg veel kinderen waardoor het onmogelijk is om voor allemaal even goed te zorgen…

En de staat, oh, de Congolese staat. Ik stuur er nooit op aan en het onderwerp komt zonder uitzondering op tafel. Staatsfunctionarissen vragen of ik kan lobbyen bij NGO´s, zodat ze een salaris krijgen. Schooldirecteuren vragen ik niet kan lobbyen bij de Congolese overheid. Of ze dat zelf niet kunnen? Ze kijken me lichtelijk meewarig aan. Ik kijk in mijn hoofd chagrijnig terug (en misschien in het echt ook wel, ik schijn vaak chagrijnig over te komen) en ik weet niet waar ik pissiger over ben: de staat, hun vraag aan mij, of allebei en mijn onvermogen dat te begrijpen.

Moet je het dan maar niet doen, al die interventies? Ik zou willen dat ik een overtuigd “jawel, we moeten het wél doen, want niks-doen lost helemaal niets op” kon antwoorden, maar het gaat niet meer. Niet op deze manier. Omdat er ook zoveel negatieve effecten zijn – nieuwe conflicten die gecreëerd worden, een vorm van afhankelijkheid, verwachtingen die niet waargemaakt worden… ik weet meer niet of dat wel echt opweegt tegen de vooruitgang (want die is er natuurlijk ook. Vrij simpel: zonder schoolgebouw kun je niet naar school, dus bouwen maar. En iedereen is trots en blij. Maar ook: zonder schoolgeld kun je de school niet onderhouden, zonder salarissen gaat de kwaliteit van leerkrachten niet echt omhoog – en dan hebben we het nog niet eens over de inhoud en kwaliteit van het onderwijs gehad. “Ça ne sert à presque rien.”)

“Mensen zien dat wij, als oudercomité van de school, met jou hebben gepraat. En jij komt uit een NGO-auto. Vervolgens beschuldigen ze ons ervan dat we geld van je hebben gekregen dat we voor onszelf houden.”

Dat moet dus anders, want uit (durf ik het te zeggen?) medemenselijkheid zijn we het de wereld verplicht armoede uit te bannen en onrechtvaardigheid te bestrijden. Waar dan ook, overigens, en dat is heus niet iets wat ‘wij blanken’ moeten doen. En al helemaal niet uit schuldgevoel maar gewoon, omdat we in een gestoord geflipte wereld leven die zich niet vanzelf rechttrekt.

En die whisky, die moet zo af en toe dan maar.

Beautiful, Dirty, Rich

July 13, 2015 § Leave a comment

Na een weekend met Belgen en Amerikanen te hebben doorgebracht met aardig wat hysterie en uitgaan tot 5 uur ’s morgens voel ik me schuldig want: waarom heb ik het blijkbaar nodig af en toe met mede-blanken om te gaan? Waarom ben ik niet iets bij collega’s gaan eten?

De excuses

Na een hele dag interviewen en data uittypen ben ik gesloopt – zeker omdat de discussies doorgaans niet optimistisch stemmen. Ik trek het dan vaak slecht om ook nog met collega’s te socializen tijdens het eten, dus ik ben stiekem blij als ze Swahili met elkaar praten. Kan ik wel volgen waar ze het over hebben, maar verwacht niemand dat ik meepraat. Nu heb ik dat in Nederland/Engeland ook wel, die Remi-neigingen, dus tot zover niets aan de hand. Hier vind ik sociaal doen extra lastig door de taal – mijn Frans is lang niet zo goed als zou moeten – maar ongetwijfeld ook door de ‘cultuur’. Hier zijn is één grote oefening in aanpassing. En nee, daar ga ik niet over zeuren (anders zou ik gewoon lekker in Europa moeten blijven), maar het is wel vermoeiend.

Al mijn collega’s zijn mannen. Ik ben niet getrouwd, heb ook geen kinderen. Ik heb dit keer zelfs geen partner verzonnen, want dat wordt raar, tegenover collega’s. Daar ga je niet tegen liegen (tegen andere mensen wel, overigens – wat ook weer raar wordt als de andere mensen vrienden van collega’s blijken te zijn. Een van hen, uit Burundi, leeft nog altijd in de veronderstelling dat ik verloofd ben en vraagt al drie jaar lang wanneer ik nu eens ga trouwen), maar dat betekent dus wel elke avond weer het rondje waarom heb je nog geen kinderen–je moet snel trouwen want je bent al oud–waarom eet je zo weinig–en wat vind je eigenlijk van het homohuwelijk? Ik wil met een blanke trouwen, kunnen we dat regelen?

“Na drie weken beginnen ze op straat enigszins aan mijn aanwezigheid te wennen.” Dat schreef ik vorige week vol enthousiasme naar een vriend: toen ik op weg was naar het restaurant werd er slechts drie keer naar me geroepen terwijl ik op dag 1 nog een halve schoolklas achter me aan had. Letterlijk. Ik was iets te snel blij, want op de terugweg stond er een heel stel straalbezopen politieagenten en militairen die het nodig vonden me er niet door te laten. Het was namelijk onafhankelijkheidsdag… vrijbrief voor bier. Ze wilden alleen maar praten en waren niet agressief, maar ik heb het toch niet zo op heel hard pratende mannen die naar drank ruiken, je bij je arm grijpen en totaal je persoonlijke ruimte innemen. Gebeurt op de gemiddelde BZ-borrel ook, maar daar is men doorgaans niet bewapend. Scheelt toch.

Verder kijkt natuurlijk wel iedereen, kinderen rennen weg of gillen heel hard, steken hun duim op, gaan enthousiast naar je zwaaien (en wat doe je dan? Je voelt je net de friggin’ koningin als je terugzwaait, bovendien blijf je aan de gang, maar je voelt je een chagrijnige trut als je ze negeert). Het is een beetje als in Nederland op een enorm slechte dag langs een vol terras lopen terwijl je haar klote zit en je je allerlelijkste kleren aan hebt, en je het gevoel hebt dat iedereen naar je kijkt. Met als verschil dat nu ook écht iedereen naar je kijkt, de hele tijd. Hoewel ze zich vast niet druk maken om je haar of je kleren.

Mijn onvermogen om in te blenden, dus, als grootste excuus voor de ‘hang naar blanken’. En daar stoor ik me aan. Er zijn van die mensen die supergoeie vrienden worden met alles en iedereen en helemaal local gaan, maar ten eerste ben ik sowieso niet zo’n sociaal wonder en ten tweede ben ik op een gegeven moment moe. Hier vaak en veel, want het is niet alsof mijn hoofd ook maar een seconde stopt met nadenken. En de treurige waarheid is dan dat het heel fijn is om rondom mensen te zijn aan wie je je niet hoeft aan te passen, omdat je elkaar zonder moeite te doen gewoon begrijpt. En ik vind dat heel antropologisch onverantwoord van me, want ergens lijkt er een waardeoordeel aan te kleven terwijl ik dat niet actief zo bedoel. Het is het koloniale schuldgevoel, gecombineerd met een hedendaags westers schuldgevoel over ongelijkheid en onrechtvaardigheid, die hier wel heel erg in your face is, de hele tijd. De héle tijd.

Dat is niet hetzelfde als op zaterdagavond met een stel Belgen Leffe’s willen drinken, cavia’s grillen (lekker local! Dat dan weer wel) en uitgaan, maar in alle ingewikkeldheid van De Wereld raak je het soms toch een beetje kwijt.

Het ongemak is ook wel ergens op gebaseerd – zo helpt het niet dat mensen om me heen ernaar refereren. Bijvoorbeeld chauffeur Jackson (uiteraard op z’n Frans uitgesproken: zjaksón) die aan het begin van een 2 uur durende autorit die we samen maakten, opbiechtte dat hij heel bang was dat ik niet met hem zou willen praten, omdat ik een expat ben. Ai. Doorgaans ben ik vrij stil in auto’s, ik houd van naar buiten kijken en niet praten, gewoon in mijn hoofd zijn. Ik heb nu mijn best gedaan en twee uur lang over (oh gruwel) koetjes en kalfjes gepraat, en over Congo natuurlijk, hem wat Engels geleerd en hij mij Swahili (praktisch alles weer vergeten). Hij vroeg zich af of ik ooit met een Afrikaanse man kon trouwen? Natuurlijk, zei ik, als ik hem leuk vind. Hij vond het een opluchting, “maar dan moet je er wel eentje kiezen die intelligent is. Niet eentje die nooit naar school is geweest, dat is niet goed.”

Of maman Francoise die me vraagt of ik het alsjeblieft wil zeggen als ze fouten maakt, want ze heeft nog nooit voor een blanke gewerkt dus weet ze niet of ze het wel goed doet.

Of nachtwaker Charles: “na God komen de blanken. Jullie zijn allemaal intelligent. Wij zijn gretig. Jij neemt één kop thee, ik zal er altijd twee of meer nemen. Ik heb meer ontzag voor een domme blanke dan voor een intelligente donkere. Van jullie komt de vreugde.” – ja, hij zei het echt. Een paar jaar ouder dan ik. Mensen, we hebben er echt een ongelooflijke tyfuszooi van gemaakt.

Misschien is het punt dan dat cultuurverschillen helemaal niet erg zijn en dat er ook niet per definitie een waardeoordeel aan hangt, maar dat er hier wel zo veel verwijzingen naar ongelijkheid zijn dat ik een en ander in een Congolese context niet meer zo gemakkelijk uit elkaar weet te halen. Of dat ik er niet zo spastisch over moet doen. Maar ik ben zo ánders. En terwijl ik dit schrijf: is dat wel echt zo? Wil niet iedereen gewoon hetzelfde – een mooi leven, leuke mensen om je heen, lekker eten (haha, sorry ik kon het niet laten. Ik verbaas me er eindeloos over dat ‘lekker eten’, of in elk geval wat ik onder ‘lekker’ versta, hier niet zo lijkt te landen. De markt ligt vol met eten – rozemarijn, tomaten, wortels, aubergine. Ik zeg: doe creatief met een gegrild visje – waardeoordeel alert! Wie ben ik om te zeggen dat fufu met bonen geen zalige avondmaaltijd is? …)

Raaahh. Ik ga hier ook helemaal niet uitkomen natuurlijk. Ja, er ontstaat direct een scheve verhouding wanneer je sociale kring uit enkel blanken bestaat. Die zitten in hun grote huizen en drinken dure drankjes en eten uitgebreid, die hebben 24/7 een generator aan voor stroom, die hebben een rugzak vol met spullen met een totaalwaarde van een jaarinkomen. Of een rugzak die op zich al drie maandsalarissen waard is. Ter verdediging: er zijn ook heel veel rijke Congolezen en dat zijn ook niet allemaal mijn vrienden omdat ze rijk zijn. Ofzo.

Het kost zo’n 18 dollar om je kind een jaar naar school te sturen en jij koopt bij de supermarkt voor 35 dollar aan Nutella, chips, vruchtensap, koffie, brood en kaas omdat je het niet aan kunt vijf luttele weken doorgekookte rijst met bonen en een stukje vis te eten, wat eigenlijk nog helemaal niet zo slecht is (oke, ik heb een keer de pap die ze ‘s morgens drinken geprobeerd maar ik ging echt bijna nekken, en ik eet elke avond een flinke hap fufu mee om telkens te concluderen dat ik het gewoon echt niet lekker vind. Ik doe heus wel mijn best.)

Tenslotte dan, omdat het wel mooi in dit kader past: het effect van mijn aanwezigheid op de VN. Elke keer als er een grote witte auto met in dikke letters UN op de voor- en zijkant geschreven door Lubero rijdt terwijl ik op straat loop, en dat is de afgelopen weken toch een stuk of zes keer gebeurd, wordt er gestopt. Raampje gaat open – “Hey, gaat alles goed? Waar moet je heen? Wil je meerijden?” Als ze weer doorrijden grappen mijn collega’s: “goh, voor ons stoppen ze nooit. Maar toch fijn dat ze jouw veiligheid in de gaten houden, hahaha.”

Tijdens een groepsdiscussie buiten, achter een huisje, zag ik vanuit mijn ooghoek zo’n auto voorbij rijden. Aan de reactie van de deelnemers die verder aan de zijkant zaten, kon ik opmaken dat de auto gestopt was, terugreed, en er iemand uitstapte. Een grote brede blonde Oekraïner kwam grijnzend op me af, “Hee, sorry dat ik je stoor, maar ik zag iemand die er zo uitziet als ik!” Hij ging op het bankje zitten en begon een gesprek – waar ik woonde, wat ik deed, of ik hier nog lang was. Hij zou een keer langskomen (“Gewoon voor de communicatie!” met een vette knipoog) en weg was hij weer. “Sorry to disturb you!”, wat natuurlijk niemand verstond.

Lichtelijk ongemakkelijk vond ik het, en dat legde ik ook uit. Reactie van de groep: “Natuurlijk stopt hij als hij jou ziet, je bent toch zoals hij? Behalve dan dat jij geen conflict veroorzaakt – haha. Als er hier onveiligheid is, dan komt het door Monusco”.

Nou, daar kun je het dan weer mee doen.

Niet zo Congo-proof

July 13, 2015 § Leave a comment

Een dag of twee voordat ik naar een buitenland vertrek vraag ik me steevast af waarom in hemelsnaam ook alweer. Al jaren. Ik heb namelijk nogal wat eigenschappen die niet zo lekker passen bij dit soort werk.

Heimwee is waarschijnlijk de onhandigste, hoewel het met het verstrijken van de jaren een lastiger te omschrijven begrip is geworden. Vroeger werd ik praktisch hysterisch als ik een nacht bij een nichtje bleef logeren waar ik overdag graag kwam. Ik heb heel wat af gejankt gedurende schoolkampen, ben op het brugklaskamp een dag eerder teruggegaan, het heeft me minstens één relatie gekost en twee jaar geleden dreef het me op een haar na terug naar Nederland, vanuit Congo. Echte, allesoverheersende heimwee: het voelt bijna net zo erg als gedumpt worden. Of misschien wel erger, want als je gedumpt bent kun je tenminste nog gered worden door je vrienden. Heimwee grenst aan blinde paniek: een brok in je keel, pijn in je borst, ikwilnaarhuis ikwilnaarhuis ikwilnaarhuis en in mijn geval dus heel veel huilen. Mensen die het nog nooit gehad hebben, kunnen niet begrijpen wat het is. En ik kan me niet voorstellen dat sommige mensen nooit heimwee hebben.

Het lastige is nu dat de heim niet meer zo duidelijk bestaat. Ik woon nergens, en overal. Ik heb geen huissleutel meer: mijn ouders gaan verhuizen, dus de sleutel van het voormalige ouderlijk thuis heb ik bij mijn laatste vertrek achtergelaten. Ik heb geen huis. Er staat een doos met spullen in Bujumbura, er staan er een stuk of vijf in Durham, de rest staat inmiddels in een opslag buiten Amsterdam. Je ‘thuis voelen’ heeft ineens minder en minder met een geografische plek te maken: in Durham voel ik me thuis dankzij de vrienden die ik daar heb gemaakt, in Burundi idem dito. Zelfs Bukavu begon als thuis te voelen – tijdelijk, dan toch, want toen ging ik weg. Nederland zal altijd wel automatisch thuis-ig aanvoelen, maar ook dat wordt steeds minder. Heimwee wordt daarmee een veel onbestemder ‘missen’.

En nu ben ik in het noorden van Oost-Congo, en daar ben ik nog nooit geweest. Bovendien heb ik zoals gezegd niet zo’n enorm goede ervaring met heimwee en Congo dus ik bereidde me mentaal voor op het ergste (waarom ik dit dan toch doe? Omdat ik er nooit vanaf kom als ik gewoon maar thuis blijf. En omdat ik het tegelijkertijd ook altijd heel leuk vind. Omdat dit nu eenmaal is wat ik doe…) Help. Aanvankelijk was ik bang dat ik hier te kort zou zijn om me echt thuis te voelen; vijf weken maar. Drie weken later bleek dat al een misvatting: toen ik vorige week maandag na een weekend in Butembo weer thuis kwam… juist. Thuis: dat is waar mijn koffer ligt en waar ik een houten kastje heb met wat spulletjes erin. Waar mensen mijn naam kennen en me begroeten, waar ik de weg weet, waar ik een routine heb ontwikkeld. Tot op de dag van vandaag geen paniek gehad. Afkloppen en ook: hoezee.

Na heimwee, eten. Moet ik het daar nog over hebben? Ik houd ENORM van eten en dan vooral van chocola die bij voorkeur niet een paar maanden in een container in Mombasa heeft staan verpieteren. En hoewel er hier heel veel groente te krijgen is, lijkt dat niet allemaal zijn weg te vinden naar het restaurant chez Maman Fidèle. Of in elk geval niet op de manier die ik zou kiezen. Zo zat ik eergisteren pompoenbladeren te eten. Best lekker hoor, maar kunnen we niet ook de pompoen eten?

Het totaal niet trekken om met koud water te moeten douchen. Serieus, ik eet nog liever een maand alleen rijst dan dat ik een maand koud moet douchen, zeker als het overdag niet heel heet is, maar iets van twintig graden en ’s nachts veel kouder. Dit los ik meestal op door de tuinman/bewaker te vragen of hij extra houtskool wil kopen, en of hij ‘s morgens een emmer heet water voor me wil fixen. Vond ‘ie heel logisch overigens. Ik ben de schaamte voorbij. Zo deed ik in het hotel in Beni iets (voor mij) unieks.

Ik functioneer slecht in winkels, restaurants, hotels en vliegtuigen. Ik voel me het personeel vaak tot last en zal niet zo snel kritiek uiten (wat misschien hilarisch is, als je deze blog leest – het is dat ik te lui eh druk ben om geschreven klachten in te dienen, zullen we maar zeggen). En al helemaal nergens om vragen. Ik ben in staat om koud eten op te eten omdat ik het zielig voor de kok vind om het terug te sturen. En zonde van het eten want misschien gooien ze dat wel weg. Als ik in het vliegtuig de verkeerde maaltijd krijg, zeg ik er niets van want het kan me eigenlijk niet zoveel schelen. En ik ben een conflictmijdende schijterd. Goed, het punt is duidelijk. In Beni dus, waar heel koud water uit de kraan kwam, zette ik bij de receptie mijn liefste glimlach op en vroeg of ik misschien een emmer heet water mocht. “Ja, natuurlijk – voor morgen ook?”

Ik kan slecht tegen de zon. Ik moet eigenlijk een pet op maar dat doe ik niet, want ik ben ook ijdel. Daarom smeer ik nog elke morgen mascara op mijn witter-dan-witte wimpers en weiger ik nog altijd twee dagen achter elkaar hetzelfde te dragen, hoewel dat was-technisch (gezien het gebrek aan zon, wat dan weer leidt tot een lange droogtijd / stinkende kleren omdat ze een nachtje half-nat in een emmertje liggen), handiger zou zijn. Ik heb moeite met verwachtingsmanagement (groots en meeslepend wil ik leven, enzo) waardoor ik snel en gemakkelijk teleurgesteld ben. Daarnaast wil ik ook nog altijd de wereld redden, dus in realistische doelen stellen ben ik nog altijd niet erg ontwikkeld. Dansen vind ik leuk maar ik heb een nogal Hollands ritmegevoel, wat niet heel goed samengaat met Congolese rumba’s. Zorgt overigens wel voor vermaak. Ik heb soms een slecht geheugen, zodat ik weer eergisteren weer de fout maakte aan maman Francoise te vragen ‘een beetje’ fruit te kopen en haar teveel geld mee gaf, voor de zekerheid want misschien zijn de prijzen in een week wel ineens verdubbeld (? Serieus, ik begrijp niet wat er in mijn hoofd gebeurde.) Dom natuurlijk, want ik weet best dat je dan de hoeveelheid fruit krijgt die er te koop is voor het bedrag dat je meegeeft. Dus ik heb nu 15 mango’s en 10 citroenen op de kast liggen. Een bovenmatig ontwikkeld empathisch vermogen is ook niet altijd heel handig, want ik vind heel veel dingen die ik zie en hoor heel erg naar en verdrietig. Ik ben een sentimentele sok en ik huil hier veel, maar alleen als niemand het ziet.

En toch kom ik telkens weer terug.

Where Am I?

You are currently browsing the Uncategorized category at Lys.