Heimwee

July 13, 2015 § 8 Comments

Bukavu, maart 2013

Het sluimert al een paar dagen, zeurend op de achtergrond, maar ineens is het er dan écht. Dan word ik wakker onder een muskietennet, dwing ik mezelf op te staan en te douchen. Ik sta m’n tanden te poetsen voor de spiegel en ineens is er dat stemmetje, “je wilt hier niet zijn, je moet naar huis! Naar daar waar alles fijn en vertrouwd is, naar je ouders, je familie, je vrienden en je fiets. Je moet hier weg.” En dan knijpt mijn maag samen, er komt een brok in mijn keel die niet weg te slikken is en de tranen branden achter mijn ogen. Maar je gaat niet huilen als je nog in een taxi naar kantoor moet, dus zo goed en zo kwaad als het kan kleed ik me snel aan en ga op weg naar ICCO, daar waar internet is, daar waar contact met vertrouwde mensen is. Maar het is pas h9 uur ‘s morgens, dus 8 uur in Nederland. Er is nog niemand. Een paar mails met leuke reacties op de foto’s van het huis die ik gisteren gestuurd heb, maar ik kan alleen maar denken “verdomme, ik wil niet in dat huis wonen.” Gelukkig komt mijn nicht snel online en belt ze mijn ouders, die zich vrijwel direct op Skype melden. Ik ga maar even naar buiten, want ik voorzie al wat er gebeuren gaat: op het moment dat ik die lieve stemmen hoor kan ik zelf niet meer praten van het huilen. Gelukkig kennen ze me beter dan wie ook en zijn ze ook wel wat gewend, maar dat verhindert toch niet dat ik bijna alleen maar kan snikken en “ja, ja dat is ook zo” kan zeggen als reactie op al hun lieve en wijze woorden.

Het is blinde paniek, zo’n heimwee-aanval. Ik herken het maar al te goed en hoewel ik nu op het moment dat het gebeurt wel weet dat het irrationeel is, wil dat nog altijd niet zeggen dat je daar ook naar kunt handelen. Als elke vezel in je lijf schreeuwt dat je weg moet waar je bent, dat je gek bent dat je hier in de eerste plaats heen bent gekomen, dat je je heus voor niemand hoeft te bewijzen en dat je hier bovendien vrij weinig zult kunnen toevoegen, is het erg moeilijk om rationeel te denken “dat het wel overgaat”. Want zo voelt het niet, alsof het overgaat. Het voelt alleen maar alsof je weg, weg, weg moet en snel ook, want je kunt dit niet.

[NB voor het geval jullie me nu binnen twee dagen op Schiphol verwachten: de ratio komt altijd wel weer terug en hoewel ik nog altijd niet stralend en dansend van geluk achter mijn laptop zit, is de rust enigszins wedergekeerd. Tandjes op elkaar en even diep ademhalen. Want ik wilde dit toch zo graag?]

Advertisements

Vakantie in tijden van conflict (en er was vast ook wel ergens cholera).

May 26, 2015 § 1 Comment

Terwijl nu het reisadvies knalrood is en zelfs mijn meest stoere onderzoeksvrienden een roadtrip Noord-Kivu afraden, wandelde ik een krappe maand geleden met twee vrienden Nyiragongo op- en ook weer af. Ja, zó volatiel is de situatie.

In Goma aangekomen waren de ‘heart of darkness’-opmerkingen niet van de lucht; in Oost-Congo zijn heeft duidelijk iets mythisch hoewel we niet meer dan drie expat-restaurants en een supermarkt hebben gezien. En een beetje Congo op weg naar de vulkaan. Conrad en de media hebben hun best gedaan. En de mythe leeft, met alle VN-voertuigen en een handjevol patrouillerende blauwhelmen. Dat is best stoer natuurlijk. Het is hier gevaarlijk. Kijk ons gaan.

Dat is vreemd, als je net uit Burundi komt, een tikkende tijdbom maar zonder mythe. Daar rijden (nog) geen blauwhelmen. Dat is niet ‘donker Afrika’, dat is niet een plek waar mensen heen willen omdat het zo goed voor je fieldcred is. Niet dat dat erg is overigens, maar dat is een andere discussie. Je merkt er niets van de spanningen – als je er niet naar vraagt. Je ziet er niets van en ergens is dat misschien ook wel goed: het laatste wat je wilt is expatpaniek en evacuatie, want: wat een signaal.

Goed, we waren in Oost-Congo en naast fascinerend (vulkaan) en gezellig (fijne mensen) vond ik dat vooral heel ongemakkelijk, want we waren dus op vakantie.

Nu komt er even een disclaimer over blanke self-rightneousness, eigengerechtigheid (komt uit de bijbel trouwens. Ironisch), waar ik nogal eens van beschuldigd word: denk ervan wat je wilt. En: ja, toerisme is in principe goed (want economie). En ja, ik heb ongetwijfeld teveel emoties (nee, jullie zijn gewoon afgestompt). Ik ben ook een idealist (nee hoor, ik ben behoorlijk cynisch, maar daar wordt je leven ook niet gezelliger van en eraan toegeven is toch een beetje het begin van het einde).

De vulkaan buiten Goma beklimmen, dat wil ik al vier jaar, maar er was nooit een mogelijkheid. Nu wel, en dat is surrealistisch. De vulkaan ligt in het Virunga National Park – daar is een mooie film over, zie hier, die je overigens niet kunt kijken zonder dit en dit te lezen. Of je moet het geluid gewoon even uitzetten; de beelden zijn indrukwekkend. Die kritiek, overigens, maakt het extra gek een dergelijke trip te ondernemen. Maargoed. De hele (halve, eigenlijk) wereld is gebouwd met hun bloed omwille van ons welvaren, dus dan kan zo’n omstreden vulkaan er ook nog wel bij. En nee, een vulkaan kan natuurlijk niet omstreden zijn, maar kijk de docu, lees de kritiek en dan begrijp je wellicht mijn punt.

Omdat ik niet echt gewend ben aan bergen beklimmen (dit is een understatement), gaf ik mijn rugzak aan een drager. Ik liep, met uitzondering van mijn broek (gouden tip: ga niet in een zwarte skinnyjeans de vulkaan op. Het zit niet lekker. Als het heel hard regent, zit het nog minder lekker. En neem handschoenen mee. Hoewel sokken om je handen ook best werken, als het moet), in prima gear met goede schoenen en een jekkert dat me zelfs bij de talloze stortregens die we op ons dak kregen, droog hield. De dragers hadden brakke schoenen, niet echt regenjassen, de mijne een grote vuilniszak als regencape. Uitzondering waren de dragers van de Mikeno-lodge, waar je voor een luttele 400 dollar per nacht kunt overnachten en de vulkaantrip kunt regelen. Dan hebben ze een mooie, lange regenponcho en goede backpacks.

Eten en water hadden we ook bij ons, veel. Tijdens de pauzes kwam dat tevoorschijn en wij aten, zittend op bankjes. De dragers zaten even verderop, met drinken maar ik heb niet echt substantieel voedsel kunnen ontdekken. Wij deelden wat pinda’s uit. We hadden namelijk per ongeluk de ongeroosterde gekocht en die zijn niet zo lekker. Het andere voedsel werd niet gedeeld, dat aten we zelf op.

Wat achter de afwezigheid van eten zit weet ik niet, want ik heb er niet naar gevraagd. Misschien krijgen ze prima betaald en stellen ze andere prioriteiten dan eten en kleren. Zijn de gezinnen te groot, de lasten te hoog. Bovendien zouden ze zich anders ook een ongeluk sjouwen met spullen van punt A naar B. Ze zijn het gewend, Alies.

Maar dat is nu juist het punt: ze zijn het gewend om in de stromende regen op slechte schoenen zware last heuvel op-en-af te dragen. Vooral de vrouwen trouwens. We kwamen na een uurtje of twee lopen een groepje vrouwen tegen: die waren ’s morgens vroeg water gaan brengen naar de parkbewakers (hierover later meer) die in het park wonen. Op hun teenslippers.

Ze zijn dat gewend – maar hoe kut is dat? En concreet maakt het niet uit of ze dat doen voor hun eigen zaken of voor een stel toeristen die zo graag een vulkaan op willen banjeren, maar die rauwe werkelijkheid recht in je gezicht terwijl jij voor de lol aan het klimmen bent, klagend over de regen en de kou en de dag erna gewoon weer in een droog, warm bed kunt kruipen; het is op zijn minst bevreemdend.

Terwijl ik dit schrijf zit ik trouwens in het oosten van Rwanda met een gestoord mooi uitzicht naast de tent en hier is dat gevoel veel minder, maar hier lopen ook geen mensen met mijn zooi te zeulen omdat ik zo nodig een berg wil beklimmen en het zelf niet kan dragen.

En natuurlijk is het hypocriet, want 80km verderop lopen er wél allemaal vrouwen met zwaar hout en water en weet ik veel wat meer, maar alleen omdat ik die niet kan zien, raakt het me niet. En ik heb net een Snickers gegeten met superslavenchocola en eieren van legbatterijkippen en ik heb ook H&M sokken aan.

Goed, die vulkaan dus, was echt fantastisch. Erheen vond ik te gek: lekker door de modder sjouwen door een tropisch woud en mooi uitzicht, omhoog kijken, zien waar je heen gaat en zowat willen gaan rennen van opwinding.  Ik ben en blijf een buitenspeelkind. Het regende dus echt heel erg hard, met onweer erbij, wat ik heel gaaf vond tot er zo’n harde knal kwam dat je oren er van piepten en de gids zei dat hij het in zijn hart voelde.

Die gidsen, trouwens, zijn meer para-militairen, met een AK47 (of iets wat erop lijkt, niet mijn tak van sport). Niet om dieren mee uit te schakelen maar mensen. Of allebei. Het is en blijft een conflictgebied. Waar je dus ook toeristisch kunt doen.

Terwijl ik de berg op liep dacht ik aan rebellen, vaak jonger dan ik zelf ben, die in behoorlijk beroerdere omstandigheden een bepaald iets nastreven… Collier heeft vast nog nooit door het Oost-Congolese landschap gestruind, met z’n greed-thesis (Paul Collier is een invloedrijke onderzoeker die een keer iets leuks mocht doen voor de Wereldbank, concludeerde dat conflicten ontstaan uit hebzucht, waar rebellen wel bij varen, werd heel invloedrijk, deze analyse werd in Oost-Congo praktisch één op één geplakt op de vele mijnen aldaar en voilà: oorzaak en oplossing voor het conflict gevonden. Beetje blank schuldgevoel erbij (jouw mobiele telefoon draagt bij aan oorlog in Congo!) en je hebt ook meteen een lekkere advocacy-strategie).

Goed. Naast rebellen wonen er hier ook heel veel ‘gewone mensen’ in huizen van hout waar alles ongetwijfeld de hele tijd nat is of heel stoffig, wat me behoorlijk vervelend lijkt, en je ziet mensen (vooral vrouwen, dus) aan één stuk door zware ladingen versjouwen. Op de terugweg kwam het leger voorbij in de stromende regen met matrassen aan hun tassen bungelend, zonder plastic. En ik vond slapen in een lekkende tent in mijn supersonische jack en een thermolegging (mijn slaapzak was doorweekt) best vervelend.

Dat soort dingen spookten dus een beetje door mijn hoofd terwijl ik een van de gaafste trips van mijn leven maakte, met een van de meest bizarre resultaten ooit: een kolkend lava-meer. Dat maakt een beetje het geluid van de zee. Ik geloof dat ik dat het allerindrukwekkendst vond (samen met de wolken en de wc, die uitzicht had op Goma, het meer, een vlakte, een oude krater. Ha! Dat wint het toch wel van een Donald Duckje). Je kunt ook gestoord dicht bij de rand komen. Net iets voor mij om te struikelen, dus ik bleef braaf op afstand en liet iemand mijn capuchon vasthouden toen ik over het randje wilde kijken. Held op (hele natte) sokken.

De volgende dag weer terug, weer in de zeikende regen en toen waren we thuis en konden we warm douchen en pizza bestellen en film kijken en was de gekte compleet, want de Congo-mythe stopt natuurlijk wel gewoon bij de geprikkeldraadte poort van je huis.

Hakketakkeblog – voorlopige versie.

May 6, 2015 § 2 Comments

Op eerste Paasdag vloog ik naar Bujumbura, Burundi en op 4 mei stond ik onverrichter zake weer op Schiphol. Wel met een paar kekke nikies, tweedehands gekocht op de markt in Kigali. De symboliek van het vertrek mocht niet baten, die van de terugkomst bleek goed gepland. ’s Avonds keek ik naar de Dodenherdenking op televisie; er werd ons te verstaan gegeven dat we de Nederlandse oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, en Nederlanders omgekomen bij vredesoperaties daarna, dienen te herdenken. Natuurlijk: het is de Nationale dodenherdenking, grenzeloos herdenken doen we niet. Stiekem heb ik ook aan de Burundese demonstranten gedacht, die opkomen voor hun rechten te demonstreren tegen iets dat naar hun mening tegen hun grondwet ingaat. En aan de Burundese politieagenten die, in opdracht van hogere echelons, in de frontlinie staan, met scherp schieten op diezelfde demonstranten, veelal studenten.

Sommige dingen wennen blijkbaar nooit helemaal, ook al ben je maar een maandje weggeweest. Dat er mineraalwater uit onze kranen komt (waarmee we onze wc doorspoelen en onze lijven schoonmaken), ik denk niet dat ik dat ooit normaal kan vinden.

Het overheersende gevoel is toch wel dat ik hier nu niet zou moeten zijn, maar het lastige is dat ik nu ook niet in Burundi zou moeten zijn, dus waar dan wel?

Een vriendin mailde me met een hoop ‘shit’-voorzetsels, in reactie op mijn berichten uit de regio, en shit is inderdaad wel het woord dat de situatie het beste omschrijft. Shit op heel veel niveaus, te beginnen met dat van de doorsnee Burundees die, na jaren burgeroorlog wellicht weer een klein beetje hoop had, om vervolgens tien jaar mismanagement te zien, loze beloftes, instortende koffiemarkten, overheidsbudget voor landbouw waar je broek van afzakt, een steeds autoritairder regime en in plaats van ontwikkeling, achteruitgang. En dan nu deze crisis.

Duizenden vluchtelingen in Rwanda, uit angst voor wat kan komen, gezien de geschiedenis van het land niet heel gek. Ik maak me normaal gesproken al bovengemiddeld druk over dit soort dingen, moet regelmatig een potje janken bij het zien van een documentaire en als het me lukt mijn cynisme te overwinnen, krijg ik daar dan vervolgens meestal energie van, red de wereld, enzo. Maar als die dingen dan gebeuren in een land dat je redelijk kent, waar je je in elk geval de afgelopen jaren intensiever mee bezighoudt, en waar je ook echt mensen persoonlijk kent die met je bespreken of en wanneer ze zullen vluchten: dan komt het wel heel dichtbij. Dat is een open deur, maar daarmee niet minder waar.

En het rare is dat ik het me nog steeds niet kan voorstellen, vluchten, of wat de situatie echt betekent. Als een goede vriend vraagt of hij uit voorzorg zijn laptop (een van zijn meest dierbare bezittingen) alvast bij mij thuis kan achterlaten, zodat hij die niet hoeft mee te nemen als ze moeten vluchten, als dat moment komt, dan raakt dat me misschien wel zoveel dat ik het niet meer voel? Het is gewoon onwerkelijk. Als ik eraan denk dat diezelfde vriend inderdaad misschien wel echt moet vluchten, terwijl hij de afgelopen jaren zoveel heeft opgebouwd voor zichzelf en zijn gezin: een steeds betere baan, stromend water aangelegd, onlangs zelfs elektriciteit… het idee dat hij dat misschien allemaal moet achterlaten, alleen maar (?) omdat er een aantal gekken op nationaal niveau niet lijken te begrijpen wat de consequenties van hun honger naar macht (/angst voor gerechtigheid, of hoe je het wilt noemen) zijn… en mijn onvermogen dat dus echt te begrijpen. Gelukkig maar, misschien. Ik slaap er vooralsnog niet beter van.

Of de banaliteit, de heel alledaagse consequenties: dat het hele leven stilligt, mensen niet kunnen werken, en dus ook geen inkomsten hebben. Alles gaat goed, vertelde een andere vriend in een toch ook onrustige wijk, maar het werd financieel allemaal wel wat penibel. Bij crisis denk je toch vooral aan bommen en granaten (die laatste helaas vrij letterlijk), maar dat er ook heel veel, veel kleinere effecten zijn, daar stond ik niet zo bij stil. Maar natuurlijk, het is zoveel groter dan alleen de protesten.

De andere niveaus zijn wat minder relevant: dat het onhandig was dat ik vast zat in Kigali met alleen mijn safari gear, dat het een enorm gedoe was al mijn bagage bij me te krijgen (ik kon zelf niet terug naar Bujumbura), dat ik de opdracht waarvoor ik op pad was, niet uit kon voeren, wat de eventuele consequenties voor mijn PhD-onderzoek zijn (hallo levenswerk), dat ik ultiem gefrustreerd opeens weer naar Nederland moest, met het gevoel dat ik alles en iedereen achterliet, niemand gedag kon zeggen, maar in de wetenschap dat aanwezig zijn in Bujumbura toch ook niemand goed doet… ja, da’s allemaal maar bijzaak. Wel shittige bijzaak.

Hakketak, wat is er precies gebeurd? Ik vloog vol goede moed ofwel naïviteit naar Bujumbura, een maand geleden: ik zou een evaluatie-onderzoek uitvoeren naar een aantal ontwikkelingsprogramma’s. Ik werkte een week, toen ging ik op vakantie. Dat stond al gepland. Die vakantie was te gek, daarover later meer. En ongemakkelijk, het voelde bijna verkeerd, zeker achteraf.

Vanaf het eindpunt van de vakantiebestemming, Kigali (Rwanda), zou ik terugvliegen naar Bujumbura. Op die dag maakte de regeringspartij bekend dat dat huidige President gekozen was als nieuwe Presidentskandidaat; een beslissing die slecht viel bij de gehele oppositie, de Burundese katholieke kerk, de internationale gemeenschap, en een deel van de regeringspartij zelf. Een president in Burundi mag namelijk maar twee termijnen zitten, en die twee zitten er nu op voor Nkurunziza, sinds 2005 president. Hij is de eerste keer niet gekozen na algemene verkiezingen, maar aangesteld na de vredesonderhandelingen. Volgens hem telt die eerste keer niet, en kan hij best nog een keertje vijf jaar. Het Constitutionele Hof in Burundi heeft dit inmiddels goedgekeurd (ondertekend door 5 van de 7 leden, en de Vice-President van het Hof is naar Rwanda gevlucht: hij was tegen. Dit komt de legitimiteit van deze beslissing niet ten goede, zou je denken).

Sinds zondag 27 april zijn er demonstraties in met name de buitenwijken van Bujumbura, waarbij een tiental doden zijn gevallen en tientallen gewonden. De politie schiet her en der met scherp op demonstranten, er gaan verhalen dat de (deels gewapende) jeugdliga van de regeringspartij meer en meer actief zijn tegen de demonstranten, het leger is vooralsnog neutraal. De internationale gemeenschap spreekt haar zorgen uit, Rusland en China blokkeren een resolutie in de Veiligheidsraad van de VN (Burundese soevereiniteit!), buurland Rwanda laat zich (onverwacht) kritisch uit, de rest van de East African Community houdt zich nogal stil. Burundese radio’s zijn stilgelegd, persvrijheid ligt aan banden, mensenrechten worden geschonden, de door het westen getrainde politie gedraagt zich niet zoals zou moeten, Nederland ‘betreurt de situatie’, ‘maakt zich zorgen’, Nederlandse media storten zich op etniciteit als uitleg van een puur politiek conflict, de nuance is zoek, en het is wachten op wat komt.

In een notendop.

Gisteren was het 5 mei: dan vieren wij onze vrijheid. Eigenlijk zou ik die harder dan ooit willen vieren, hoe exclusief onze vrijheid helaas ook is, hoezeer ik het ook niet eens ben met verschillende vrijheidsnarratieven die de afgelopen maanden door de Nederlandse media sijpelen, maar vieren, dat voelde toch ook niet goed. Gelukkig hielp het weer mee, had ik een excuus, kon ik achter mijn laptop geplakt blijven volgen wat er gebeurt in Burundi, praten met Burundese vrienden die allemaal verschillende analyses hebben, kijken naar een filmpje van de president op campagne in het noorden van het land, nota bene de plek waar de meeste mensen gevlucht zijn, dansend, eten uitdelend, alsof zijn hoofdstad niet in brand staat.

Nee, de Paassymboliek heeft vooralsnog niet mogen baten.

“Even iets anders doen”.

March 5, 2015 § Leave a comment

Weinig frustrerender dan “Je kunt het echt wel! Misschien moet je even iets anders gaan doen?” terwijl je het gevoel hebt dat je een VMBO’er bent die per ongeluk een VWO-advies heeft gekregen en op het gymnasium tussen de nerds terecht is gekomen, het dus lijkt alsof iedereen Esperanto (dat spreekt toch geen mens!) tegen je praat, en je bovendien al vier maanden om de haverklap ‘even iets anders’ gaat doen, omdat het de hele tijd niet gaat. Je na een jaar niks concreets voor je hebt liggen. Want natuurlijk denken jullie allemaal dat ik dit kan: ik heb immers altijd mijn best gedaan op school en op de universiteit, ben nooit blijven zitten, heb tijdens zes jaar universiteit en drie studies slechts drie herkansingen hoeven doen: alles ging altijd gemakkelijk. Ja, ik heb altijd hard en veel gewerkt, maar het ging gewoon. Voor mijn gevoel nooit echt mijn bést hoeven doen: ik ‘deed’ gewoon (ja, ik ben verwend en heb geluk). Anderen hadden daar dan misschien ontzag voor, maar dat is omdat ze niet door hadden dat ik eigenlijk niets bijzonders deed, zoveel werd er niet van mij verwacht (hallo, impostertje!), of omdat het zelf slackers zijn die met de hakken over de sloot hun opleiding haalden (en nu gewoon iets doen wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn, fluistert Narcissus), of omdat ze gewoon aardig wilden zijn – hoe dan ook, gelijk hadden ze niet.

Dat gewoon doen, dat werkt nu niet meer. Die strategie begint in de praktijk namelijk steeds meer op nietsdoen te lijken – dit stukje is een goed bewijs. Een writersblock noemen ze dat, of perfectionsme-uitstellen-verlamd raken, vertrouwen verliezen in jezelf, de relevantie van je werk, het hele universum, het is ook nog eens overal oorlog en waar zeur ik eigenlijk ook alweer over, want weetje hoeveel mensen er honger hebben of vluchteling zijn (of allebei), ik heb geluk gehad, promoveren is een privilege – en dat vind ik ook écht. Heus. Alleen is het jammer dat het de afgelopen maanden voelt alsof ik op een stoel belegd met punaises zit. Stil blijven zitten schiet niet op, want daar gaan ze niet van weg, maar wiebelen maakt het allen maar erger (slechte metafoor he? Ja, vind ik ook. Maar ik heb een writersblock, weetje). Shit, ik ben een verwend kreng, ik moetmoetmoet schrijven.

Dat is trouwens helemaal niet waar, ik heb geen writersblock. Lang leve internet: het stikt van de blogs die me precies begrijpen, met mijn PhD-huil-sores. Niet kunnen schrijven, en elke zin die je opschrijft verguizen omdat hij zo stompzinnig kinderlijk en niet to-the-point is. Een oplossing die ik las: vooral blijven schrijven, ook al is het niet academisch. Mwah. Ik schrijf me een ongeluk: mails, chagrijnige verhalen, dit soort tirades, onderzoeksvoorstel voor de evaluatie die ik straks ga doen (ja, dat moet gebeuren, maar niet nú), meningen over populairwetenschappelijke artikelen die ik lees die over van alles gaan, zolang het maar niet de politie in Burundi is (of  “what works if it’s not the state in Africa” en welke languages / repertoires / institutions / symbols / idioms / ambiguity / twilightness / ungoverned governedness / een shitload aan dingen ‘imagined’, ‘negotiated’, ‘contested’, ‘bricolaged’ (ik weet dat dit geen woord is maar het had zo gekund) en ‘mediated’, invoked of produced of re-produced of exercised worden door een multiplicity, of een pluralisation, een hybrid, of whatever, in ik-weet-niet-welke realm van weetikveel dit-en-dat). Dat schrijven is dus niet zozeer het probleem, zolang het niet dissertatiegerelateerd is.

Los daarvan, moet je vooral niet gaan nadenken over het geld dat jouw onderzoek kost, en het rendement dat het uiteindelijk oplevert. Ten eerste omdat je dan alle protesterende studenten in Amsterdam achter je aan krijgt (en je het eigenlijk best met ze eens bent), maar vooral omdat het gewoon best een deprimerende gedachte is dat je een ‘boek’ aan het schrijven bent dat door maar bijzonder weinig mensen gelezen gaat worden. En deprimerende gedachten helpen niet echt heel erg als je al bijzonder veel zin hebt op de gebaksafdeling van de Hema te gaan werken. Nog erger: nadenken over wat je moet zeggen als de mensen die je in Burundi interviewt vragen wat je voor ze terug kunt doen. Het antwoord is namelijk: niks. Je verpakt dat in “ik kan jullie verhalen vertellen zodat er meer bewustwording komt en mijn onderzoek draagt hopelijk bij aan betere beleidsvorming”. Of vastzitten in je theoretisch ellende, tegelijkertijd het nieuws in Burundi volgen, een land dat gewoon uit elkaar aan het vallen is. Wat maakt het dan in godsnaam uit wat voor theoretisch label we eraan hangen? (“Niks” als antwoord is multi-inzetbaar).  Dat is niet alleen frustrerend, het is vooral heel cynisch.

Intussen even denken: dit is wel heel erg ikke ikke ikke en zielig, zeg.

Misschien frustrerender dan alle goedbedoelde adviezen, eindeloos vertrouwen en lieve woorden (frustrerend, omdat je er alleen maar als een heks op kunt reageren, en dat is niet écht heel aardig tegenover je loved ones) is de -even goedbedoelde- “dit is de leukste periode van je academische leven! Je hebt alle tijd om je helemaal in één onderwerp te verdiepen, eindeloos te lezen, je hebt zoveel tijd. Zo leuk wordt het nooit meer.” Die hoor je van post-doccers en professoren die onder hoge druk moeten publiceren maar eigenlijk geen tijd hebben om het onderzoek uit te voeren omdat ze onderzoeksfunding moeten vinden, lesgeven, een mening dienen te hebben over de studenten in het Maagdenhuis, allerlei administratieve rompslomp het hoofd moeten bieden en zo zijn er vast nog duizend ellendige zaken. De boodschap: wat jij als de Valley of Shit ervaart, is eigenlijk de hemel. Ik weet niet wat rotter is: dit niet zo ervaren, of dat dit wáár is.

En het schijnt er allemaal bij te horen, schrijft ook Rosanne Hertzberger, en die kan het weten. Je kunt het drie of vier jaar lang niet, wetenschap, en dan ineens wel. Maar hoe kut (excusez-le-mot) is dat? Drie of vier jaar iets doen wat je niet kunt en dan maar hopen (want je weet het maar nooit, en het hoort natuurlijk bij dat proces dat je zekerweet dat zij de uitzonderingen zijn en jij het gewoon écht niet kunt) dat het uiteindelijk wel lukt? Ik vind er niks aan.

Toen ik een paar weken geleden “omdat ik het leuk vind” antwoordde op de vraag waarom ik hieraan ben begonnen (ik had gezegd dat ik niet per se een academische carrière ambieer), geloofde ik dat ook echt. Ik denk dat ik het nog steeds ergens wel geloof, verstopt onder die berg punaises. (En sorry, al die mensen die heel erg graag professor willen worden maar geen promotieplaats kunnen vinden en ik wel dus eigenlijk pik ik jullie plek in.) (Er zijn toch niet voldoende banen in de universitaire wereld). (Ga eerst maar eens aan zo’n punaisetraject beginnen, dan praten we na een jaartje wel verder over die academische ambities van je).

Het is gewoon friggin’ ingewikkeld! Dat is nogal logisch, want als het simpel was, hoefde je er geen drie-vier jaar over te doen en werd iedereen wel gewoon geboren met Dr. voor zijn naam en een boek erbij. Op feesten en partijen noem je het natuurlijk niet ingewikkeld, maar ‘fascinerend’ en ‘uitdagend’. (Als je dus met een promotie-doend-persoon aan het praten bent en je vol ontzag zegt “wauw wat jij doet is écht ingewikkeld” en diegene naar je lacht en reageert met ‘ja, maar dat is tegelijkertijd ook het fascinerende ervan’: dikke kans dat de persoon in kwestie die dag een paar uur heeft zitten janken/chagrijnen temidden van lege koffiekopjes en zakken waar ooit M&Ms in hebben gezeten, en eigenlijk bedoelt “ja inderdaad, en ik heb geen idee waarom ik het een goed idee vond hieraan te beginnen”, of “Ja, ik bén ook heel slim. Maar niet zo slim als die-en-die, en nooit zo goed als zus-en-zo, en wat het ook is: het is niet genoeg, per definitie. De wet der ontevredenheid. Ah, wijn, lekker.”).

Zo. Er zit geen moraal aan dit verhaal, geen wijze les, ik wil ook helemaal geen punt maken, gewoon even ranten. Want ik ben ervan overtuigd dat ik dáár heel goed in ben.

Over verdriet en andere ondeelbare zaken, #2

January 13, 2015 § Leave a comment

Toen ‘Charlie Hebdo’ gebeurde, was ik in een van mijn thuisen. Tienhoven in dit geval, bij mijn ouders, in behoorlijke isolatie van de wereld waar dingen gebeuren, op een zolderkamer met een muur vol post-its met concepten en ideeën, gepaard met uitroep- maar vooral veel vraagtekens. Ook wel de muur der wanhoop genoemd. Er gebeurde niet zoveel, ik hoorde het nieuws en dacht ‘jeetje, wat erg’. Las weer verder over governmental rationalities, governing die performed wordt through autonome subjects, niet on passieve vormen ervan. Gooide mijn pen in de hoek uit frustratie over een onmogelijk leesbaar artikel. Waarschijnlijk begrijpt alleen Foucault zelf Foucault, en of alle andere mensen die doen alsof ze hem begrijpen dat ook echt doen, kan niemand controleren aangezien de beste man er niet meer is.

Pas toen ik ’s middags Skypte met een vriend die vroeg of ik “het gezien had, van in Parijs” dacht ik “wacht even, dit is wellicht wat groter dan ‘jeetje wat erg’”. De media vond in elk geval van wel. Sensationeel nieuws ook, ineens. De website van NRC toonde een live-blog en later achtergrondartikelen in zwart met geel, schreeuwende koppen, ik kreeg er een James Bond-gevoel van, elke scheet een nieuwsfeit, collectieve schok en verontwaardiging. Ik keek een filmpje, hoorde de geweerschoten, zag de mannen in zwart wegrennen en kreeg er kippenvel van: er zijn onschuldige mensen doodgeschoten, zomaar overdag, in hartje Parijs.

Inmiddels is het ietsje meer nieuws, maar de wereld vergat toen dat er op dezelfde dag tweeduizend mensen vermoord werden in Nigeria. Tweeduizend, dat zijn zes MH17’s. Alleen zat die niet vol met Nigerianen.

“Dat mag je niet met elkaar vergelijken”, zei een kennis toen ik het hier met diegene over had. Of het ‘mag’ of niet, daar ga ik gelukkig niet over, maar ik begrijp het punt wel. Mensen voelen zich doorgaans aangevallen als je zoiets zegt. Het zit door mijn werk toch een beetje in mijn systeem om zo af en toe een opmerking te maken over het leed dat we gemakkelijk vergeten en ik ontzie mezelf daarbij overigens niet, want ook ik douche soms een minuut of duizend te lang, koop Milka-chocola omdat alleen die de Oreo-variant heeft, ook al is ie niet fairtrade, ik sta geen tienden af, ben vaker chagrijnig dan me lief is, en ik heb mijn leven nog niet opgegeven om in dienst van de Wereldwijde Ellende en Zielige Mensen de Problemen op te lossen.  Goed. Maar zo’n vergelijking is niet bedoeld om ander leed en verontwaardiging te relativeren. Het is beseffen dat het dubbel zo erg is: er zijn twaalf mensen doodgeschoten in Parijs, er zijn tweeduizend mensen vermoord in Nigeria, een dag later werden er mensen gegijzeld in Parijs en stierven er weer, er ontplofte een bomgordel om een 10-jarig meisje op een markt in Nigeria. Het is allemaal even gruwelijk en we zouden ons er op zijn minst bewust van moeten zijn dat ons vermogen tot medeleven zich beperkt tot mensen die op ons lijken (is dat het? Ik kom er niet uit). Geen relativering dus, wel een aanval op onze selectieve verontwaardiging, want daar word ik toch echt chagrijnig van.

3,7 miljoen mensen liepen in Parijs, afgelopen zondag. Ik vind daar vanalles van, maar dat is nu even niet relevant. Dat leidt maar af van het punt dat ik eigenlijk wil maken: dat we, de verdedigers van vrijheid in de breedste zin, bijzondere empathie kunnen tonen, eendracht, solidariteit.

(Oke, toch even zuur: we hebben daar blijkbaar een collectieve vijand voor nodig. En je wordt toch wel cynisch als je ziet welke wereldleiders er als bij toverslag verdedigers van het vrije woord zijn. We zijn zó bang voor ‘moslimterroristen’ dat we met miljoenen de straat op gaan. Of nee, we tonen aan dat we juist niet bang zijn. Ik weet het niet meer, hoor).

Het werkt, die angst. Ik ben ook een beetje een angsthaas. Ik zat op vrijdagavond in de metro in Amsterdam en betrapte me erop dat ik even dacht ‘stel je voor’. Of: het zal je kind zijn, je opa, je man of vrouw. Het komt dichtbij, geografisch maar ook cultureel. Want Frankrijk lijkt op ons, dus wat daar gebeurt, dat kan ook bij ons gebeuren en dáárom vinden we het eng, en erg. Nigeria? Dat ligt in Afrika. Daar maken ze elkaar al eeuwen af. Zal onze tijd wel duren.

Ook ik voel meer empathie, of beter gezegd: meer schok bij ‘Charlie Hebdo’. Omdat de kans dat zoiets in Nederland gebeurt nu eenmaal groter is dan dat Boko Haram Tienhoven in de fik komt steken, komt uitmoorden. Toen ik de Nederlandse paspoorten tussen de wrakstukken van MH17 zag liggen kreeg ik ook koude rillingen. Ik weet zeker dat dat niet zo was geweest, of in elk geval minder, als die paspoorten Frans, Duits, of Spaans waren geweest. Ik ben nu eenmaal Nederlander, dus ‘mijn mensen’ waren dood. Terwijl ik altijd claim niet nationalistisch te zijn.

Is dat dan allemaal erg? Ik denk het niet. Het wordt pas erg als het daarbij ophoudt.

Ik krijg namelijk óók (maargoed, ik ben een emotionele sok) buikpijn als ik lees over Syrische vluchtelingen en sneeuw. Ik zat gisteren te huilen na het zien van ‘The Imitation Game’, waarin het leven van de genie Alan Turing wordt beschreven, inclusief zijn zelfmoord nadat hormoonbehandelingen tegen zijn homoseksualiteit waren begonnen, opgelegd door de Britse regering. Nu ik meer en meer Burundezen ken, slaap ik minder goed door de wetenschap dat ook hun broers zonder pardon doodgeschoten kunnen worden buiten de poort van hun huis, zoals het laatst de broer van een collega trof. Dus ook daar: wat dichterbij komt, treft je harder.

Fantastisch is het, dat er zoveel mensen op de been zijn om solidariteit te betonen, om te laten zien dat ‘wij’ zo’n sterk belang hechten aan het vrije woord. Dat is een enorme kracht die we nodig hebben, die misschien de kracht van Europa toont? Dat weet ik niet. Maar het is iets om te koesteren. (Ondanks het feit dat het recht te beledigen, waar Charlie Hebdo dankbaar gebruik van maakt, niet mijn stijl is en ik zelfs denk dat het polariserend werkt. Ondanks de islamofobie. Ondanks de koude rillingen die ik kreeg van de speech van Rutte op de Dam, en dan niet per se omdat ik het zo mooi vond. “(…) omdat met vrijheid en democratie nooit gemarchandeerd kan worden. (…) halve vrijheid bestaat simpelweg niet. (…) wij laten ons onze vrijheid niet afpakken (…) handen af van onze vrijheid.” Ikke ikke ikke, en de rest… “Onze” vrijheid. Het is bijna enge retoriek. Welke ons? Een paar dagen geleden las ik een nieuwsbericht over een Burundese vrouw met twee jonge kinderen (3 en 4 jaar oud) die terug moeten naar Burundi. Ik geef mijn Burundian Bias ruiterlijk toe. Ik heb geen idee wat de context van dit verhaal is, ik weet enkel wat in dit bericht stond. Dat de vader spoorloos verdwenen is, dat de moeder 5 jaar geleden uit Burundi naar Nederland kwam. Die twee kinderen zijn dus in Nederland geboren. De asielaanvraag van de moeder is afgewezen, het gezin is tot twee keer toe opgepakt, zit nu in het uitzetcentrum in Zeist. De moeder werkt niet mee aan haar uitzetting (gaat dit over mensen? Zeehondjes zet je uit, in de Noordzee). Ik wilde dat ik kon zeggen dat het procedureel vast allemaal klopt, maar ik weet dat zelfs dat niet per se zo is. Nog los van het feit dat ik de Nederlanse wetgeving op dit gebied inhumaan vind. Maar wat pas écht heel wrang is: ‘onze’ vrijheid, die geldt niet voor hen. Uiteraard is zij hier omdat zij in haar moederland een gebrek aan vrijheid ervaart. Maar onze vrijheid, die is voor óns. Selectieve vrijheid, dus, waar je vrij gemakkelijk mee kunt marchanderen. Ondanks de sensatie. Ondanks de radio-reporter die in Haarlem was, op hetzelfde plein dat een paar weken daarvoor nog vol stond voor Serious Request, met een sfeer die “toen wel heel anders was” (!? Ja, hij zei het écht. Bedankt Lisette voor deze input). Ondanks de gezamenlijk gecreëerde vijand en ‘othering’.)

Maar we blijken niet in staat dezelfde solidariteit, hetzelfde medeleven te betonen met mensen verder weg, net zo onschuldig. Dit is niets nieuws – maar dat wil niet zeggen dat we het niet moeten benoemen.

Misschien lost het niets op stil te staan bij alles wat er in de wereld gebeurt. En natuurlijk hebben de 2000 Nigerianen er niets aan als ik weet dat ze dood zijn. Ze komen er niet van terug. Maar concreet gezien lost met 3,7 miljoen mensen door Parijs lopen ook niets op, als we niets veranderen aan intrinsiek scheve en onrechtvaardige geopolitieke verhoudingen, welvaartsverdeling, westerse hegemonie, als er nog steeds geen antwoord komt op populisme dat enkel polariseert. Bovendien gaat het niet om het oplossen van een probleem (behalve dan het probleem van selectieve verontwaardiging), het gaat om iets veel groters: dat het bereiken van wereldvrede [ja, ik geloof daarin! Niet dat ik het ooit zal meemaken, maargoed, ik heb een beetje idealisme nodig, anders kan ik er net zo goed meteen mee ophouden en alleen nog maar slavenchocola eten, Primarkjes kopen en de hele dag tv kijken] simpelweg nooit een realiteit zal worden zolang wij onze waarheid waardevoller achten dan die van hen, en onze zo geliefde vrijheid selectief blijven toepassen.

I do not want to be an academic

September 30, 2014 § 4 Comments

[and that’s okay, and no, I am not quitting my PhD]

This piece reflects my current state of mind, so it’s a bit messy and perhaps not really making a point – or many. And I hope none of my future employers will read this.

For some people, their job is their life. It’s their passion, one of the most important things (hopefully after family and friends). I am usually amazed by these people – by everything they know, they do, the little sleep they need. I used to want to be like them.

I don’t want to be an academic. Don’t get me wrong, I absolutely love what I am doing. And it’s not that I ever really thought I’d want to (or had the capacities to) become Professor, but what this actually means had not really downed on me. It has, now.

In Burundi I met a couple of great PhD students who knew impressively much about Burundi, politics, whichever academic debate… who seemed to be working all day, every day whereas I really needed my weekends to do nothing, read Harry Potter, visit Audifax, eat croissants. And spent most of my evenings watching movies, overstrung by everything I’d seen and heard. (To be honest, this is not entirely true. I often read articles here and there during the evenings, as well as during the weekends. Because I felt like I ‘had to’ or just wanted to, but also quickly realised that it sometimes was too much). I realised that my dissertation will probably not be as good as theirs. And I did not really care, as I know what it will take me to live up to those standards, and that I am not able (/willing) to do that. Of course, even in PhD-land there’s the super intelligent and the okay-ish people, and I’d like to believe that by choice, I am part of the latter. And I do believe I work hard enough – as hard as I can, which will never be similar to genious people. The ‘brille’ is lacking – and I don’t think that hurts me anymore.

In the weeks after I got back from Burundi I decided (or at least, I think) that I do not want to be an academic, and that that’s okay. I am really doing this now because I enjoy it a lot, I get to study one particular topic in a given country for three years almost without distraction, I eventually get to write a book (that no one will read, but hey). I enjoy incredible amounts of freedom – well, you can read all about how much I like PhD’ing in a previous blogpost.

Then I attended a Summer School in Ghent. It was great. I received very useful feedback from two senior and four junior researchers (a pretty amazing thing, given the fact that during my annual review at uni here the three assessors had not even read my paper – ha ha), met PhD’ers working on interesting topics, listened to all these great presentations. Most of them political scientists. Some of it rather theoretical. And I realised that I don’t really like abstract theories, nor fully understand them. Generally, when I don’t like something and don’t immediately understand it, I tend to leave it (which is why I failed at math in highschool and dropped economics and physics as soon as I could). Slightly problematic when doing a PhD so I’ll have to find a way to deal with that.

A lot of very intelligent young people talking about complicated research, theories and concepts. By the end of the day, I just wanted to talk about B-movies and holidays, but dinnertime was ‘professionally-socialising’-time. I did not understand (or could not keep my attention to, probably related to this) one of the presentations, I did not ask one question during four days. Because I simply did not have one. It all felt a bit ‘beyond me’, my head was full of empirics linked to the fieldwork I had just finished, I simply cannot be planted from one environment right into the other… etcetera.

I attended this summer school to personally learn from it, to meet interesting people, to add an experience. Not to further my career, not to put myself in the spotlight, not to discuss journals to publish in. I don’t mean to say that it’s wrong if these are your reasons for attending, simply that mine were different from what I interpreted other peoples’ to be. And I did not really mind – people aspire different things, that’s all good. I just felt a bit out of context. Perhaps not smart enough.

Before moving on to what this all meant when I got back to Durham last week, time to introduce an over-arching theme: making choices because what you believe other people will think of you, when you do.

One of the biggest cliche’s is that life is simply too short…. in this case, to make choices for any other reason than your own aspirations and gut-feeling (excluding hurting other people, naturally). For too long, and I think I am not alone in this and therefore dare writing it down, I’ve been making choices partly because I thought other people would really find it impressive. Which they did, which did not help.

Look at me, doing an internship at the Ministry of Foreign Affairs (being slightly -haha- out of place), look at me volunteering in Africa (feeling homesick for months, but man, the experience!), look at me doing a traineeship at that same Ministry (starting to realise I really do not fit in that grey, risk-averse environment full of generalists, having to work on the basis of government policies you do not necessarily agree with, feeling so far detached from ‘the real world’. Status, yes. Mostly for that reason, coupled with awareness that there’s no jobs, and the fact that there are interesting things to do in that building and that some people really are different, I decided to go for ‘het klasje’, the yearly recruitment procedure. How I failed – both on the intelligence as well as the competency test, in which I scored below average on every competence except for empathy, on which I scored 5 out of 5. As I was doing a traineeship at the time, I was invited to talk about these disappointing/surprising results. I am happy that my personality made up for my apparent lack of intelligence and competencies, but as I had just heard I would be working in Mali the next year [which later was changed to the DRC], I decided not to take up the offer to move to the next round. This had to do with pride, but also with the awareness that I just did not fit there – the procedure of admission did not really help).

Then Congo happened, and people who’ve been reading this blog for a while know what a success that was. I felt miserable for months, did not get any work done, felt increasingly guilty about that, frustrated with my employer, went home completely burnt out and had to attend sessions with a specialised stress-therapist in order to get back on track. The fact that my colleague, an experienced development worker, went through a similar experience made me realise that this had nothing to do with my professional qualities, and to cut a long story short: there I realised that I cannot work on a project I don’t believe in – a project that’s counterproductive, adding to everything that’s wrong with ‘international development’ in that corner of the earth.

[just a small sidenote: of course, I did not do all of the above solely for reasons ‘beyond me’. I actually really enjoyed many parts of it, even in the DRC, and learned an awful lot. I do have some agency, people ;)]

There it stopped. I applied for a PhD-position and got it – only then realising this meant that I had to move to the UK. But I decided that I could quit anytime I wanted, decided to see this as a process which I would try and get the most out of, making use of all the freedom that comes with it: in the UK, you don’t have to teach, you don’t have to organise anything. You can (career, people!), but you don’t have to. You also don’t earn anything, but that’s another story.

Back to the moment I returned to Durham, to be more precise, a small village 3 miles away. As for many people, I am in Durham because I am doing my PhD there. And this is where it gets complicated: I’d just realised that my PhD is not my life.

In Durham, it is. Everyone I know here is doing a PhD. This is crazy, as it does not really reflect society as it is. Of course, all these PhD-people are more than their research, but there’s an atmosphere of ‘talking about your research’. I am really very tired of that. Admittedly, Durham is beautiful. The weather has been surprisingly good. I still get that nice warm feeling when I see the cathedral, the river, the trees that are changing of color now autumn arrives. I am extremely priviliged to have been given this opportunity. I’ve met some really nice people which I hope will stay in my life for a long time (funny enough, all but two of them are Dutch). And all of them say the same thing: it’s all about university here.

Most people doing a PhD won’t end up in academia, surely my supervisor does not expect me to, which really helps. Yet many people act as if their research is the most important thing ever. Maybe this is not so much about academia as about ‘careers’ in general. And of course there’s nothing wrong with wanting a career (in which-ever sector) – perhaps I am a glowing example of what some feminists in the Netherlands now call ‘vertrutting’, meaning women don’t appear much in the higher echelons of society simply because they don’t want to. I don’t care to join this discussion, really, but I do know that I am sick and tired of trying to pursue something for the wrong reasons. If that means that I am part of the ‘vertrutting’, that I’ll never get a supergreat career and will never become the boss of the world, then so be it. At least I can stop comparing myself with other people my age who have done so-and-so, instead just being happy for them they’re achieving so much, realising that I never will, either because I don’t have what it takes, am unwilling to push myself that far, or have different priorities.

HASHTAG rant over. Back to analysing Burundian farmer interviews.

Moeilijk hip en kapitalistisch.

September 9, 2014 § 4 Comments

Leuk van weer-in-Europa: overal knappe mannen. Vind ik dan. Minder leuk: iedereen is zo moeilijk hip. Nu loop ik wat dat betreft altijd een beetje achter de feiten aan (zo appte ik mijn nichtje een dag voordat ik weer in Nederland aan zou komen om te vragen of het nog oké is om de pijpen van je skinny op te rollen, want ze wees me er op Koningsdag op dat ik dat eigenlijk wel moest doen), maar het valt hier toch meer op dan op een aardappelveld in Burundi.

Een van de grootste misverstanden over ‘werken in Afrika’, overigens, is dat het daar niet uitmaakt hoe je eruit ziet. Fout. Burundezen hechten waarde aan hun verschijning, zien er voor belangrijke afspraken tip-top uit (ook al heb je maar één kleren). Ik zal wel nooit begrijpen hoe ze het voor elkaar krijgen er zo goed uit te zien, gezien de hitte, het stof, het opgefrommeld zitten in een bus, het niet hebben van een wasmachine… etcetera. Mijn shirts kreuken binnen een halfuur, ik stap doorgaans in iets smerigs, mijn make-up vlekt bijzonder snel vanwege de hitte, mijn haar hangt futloos langs mijn hoofd en ik zweet me een ongeluk. Dan helpt het dus niet als je je flodderbroek met shirtje uit 2004 aan hebt, gecombineerd met een paar stoffige gympen of (oh gruwel) teenslippers.

Goed, ik heb er de afgelopen maanden dan misschien representatief uitgezien (of in elk geval soms, als het moest), dat wil niet zeggen dat het hip was. In Burundi heb je overigens ook hip, expat-hip. Dat uit zich met name in vervoersmiddelen: als je écht heel gaaf bent rijd je rond in een oude Minerva uit België, onder voornamelijk meisjes is het hip om je op een brommertje te verplaatsen. Je ziet wel eens een witkop achterop een motor-taxi, die is dan (afhankelijk van de coolheid van de persoon in kwestie) hip of gewoon gestoord, maar in elk geval lekker grassroots bezig. Bij terugkomst kwam ik erachter dat bootschoenen (à la Sperry, Sebago) in Nederland ook een hitje zijn geweest. Ook, want je kunt de nep-variant in Bujumbura kopen en Burundezen zijn er dol op.

Qua kleding valt het allemaal nogal mee, die hipheid. Of hippe mensen komen gewoon niet naar Burundi, dat kan natuurlijk ook. En dan zit je in Amsterdam Noord (dat wordt heel hip, vertelt mijn FB Newsfeed me) wat te drinken in een simpele spijkerbroek met allstars en een zwart shirtje en een hema zonnebril op een terras dat zo hip is dat het bijna onmogelijk is om iets te bestellen. Ook omdat de serveersters niet echt te onderscheiden zijn van alle andere hippe mensen. Die er overigens allemaal hetzelfde uitzien, want zo gaat dat met trends en hipheid.

Dat voelt dus gek, daar ineens weer tussen lopen. Een beetje sneu, alsof je een vertraging van een paar jaar hebt opgelopen. Toch, als er iets niet duurzaam is, is het wel hip-zijn (omdat het zo snel verandert) en dingen die niet duurzaam zijn, zijn enorm onhandig als je op drie verschillende plaatsen woont en je veel verplaatst. Het fleece-vest lijkt bijna een oplossing. Dat combineert dan weer slecht met bovengenoemde knappe mannen, dus geen zorgen – maar ik moet duidelijk iets nieuws inslaan. Al was het maar omdat mijn zomercollectie in Burundi ligt, mijn wintercollectie in Durham en alle oude zooi in Nederland. Sowieso loop je een beetje achter na een paar maanden weg. Welke muziek is er nu, welke films heb ik gemist, welke documentaires moet ik echt nog terugkijken? Waar zijn de feestjes, wie zijn er cool? En dan zijn er nog de te lezen boeken, concerten waar je heen moet, exposities die je moet bekijken. Hartstikke leuk en intellectueel, maar ik heb eigenlijk geen tijd om me er teveel mee bezig te houden. Maar hippe mensen hebben toch ook allemaal een baan – hoe doen ze dat?

Terwijl ik lees over drie Italiaanse nonnen die vermoord zijn in Burundi, en net een zorgelijk mailtje heb ontvangen van een andere vriend uit dezelfde regio, staat in tabblad drie de webshop van de Bijenkorf open. Ik heb namelijk bruine veterschoenen nodig, want het paar dat ik nu heb zit stiekem niet lekker, ik krijg er blaren van. Bovendien kan ik die ook gewoon meenemen naar Burundi, dus het is heus geen luxe-aankoop. En ze zijn hip, denk ik, of in elk geval in de mode, want de Bijenkorf heeft heel veel verschillende. En een hele hippe vriendin van me droeg ze zes jaar geleden al.

Een dag later. Ik heb er nooit vreselijk veel last van gehad, maar nu wel: leven in Nederland draait om meer, meer, kopen kopen kopen. Afgelopen zondag liep ik door Den Haag naar het station, koopzondag. Allemaal mensen met (bijna) allemaal slechts één doel: kopen. Dat is natuurlijk het hele idee van de binnenstad en winkels, ik begrijp het. Maar ineens staat het me tegen. Ik bladerde wat reclamefolders door en kreeg er letterlijk hoofdpijn van (hoewel dat ook kan komen doordat ik altijd het idee heb dat er iemand naar me aan het schreeuwen is als ik de folders van de Mediamarkt en de Kijkshop doorkijk). Ohja, daarom mieterde ik ze altijd meteen weg (de bezorger begreep duidelijk de NEE NEE sticker op de brievenbus niet).

En misschien maakt het me nu ook wel een beetje bang, het mantra kopen kopen hebben hebben, in een tijd waarin ik begin te vrezen dat dat gewoon niet meer kán. Dat dat systeem op klappen staat, dat we massaal geld uitgeven dat we eigenlijk niet hebben, of duurzamer zouden moeten investeren. Je zou bijna blij worden dat je niks verdient.

Ik schrijf dit terwijl ik vanmorgen nog een door een Bangladeshi in elkaar genaaid H&M shirtje heb gekocht. Ja, dat is hartstikke hypocriet en ja, daarmee draag ik bij aan ‘het systeem’ (en het is ook nog eens ontzettend on-hip, want hij is gewoon saai zwart). Bovendien is mijn telefoon kapot gegaan dus moet ik die laten maken (hoewel het bijna goedkoper is, in elk geval relatief, een nieuwe te kopen), mijn externe harde schijf idem dito en mijn laptop begint ook aan vervanging toe te raken. Hebben hebben kopen kopen – maar dit heb ik toch echt nódig?

Voor het eerst wil ik oprecht terug naar Burundi omdat het daar voelt alsof ik me niet om ‘het systeem’ druk hoef te maken. Omdat ik daar bezig kan zijn met andermans problemen, niet de mijne, niet die van ‘mijn’ deel van de wereld (alsof dat anno 2014 nog goed van elkaar te scheiden valt). Het zal wel weer vervagen, maar ik draag nog een continu schuldgevoel met me mee, als ik naar de kapper ga en een bedrag afreken waarvoor je vier kinderen een jaar naar school kunt sturen (en dan is het ook nog eens niet bijzonder geknipt. Gebakken lucht heet dat). Volgens Peter Singer (‘The life you can save’) is iedereen verplicht, de titel zegt het al, levens te redden. Filantroop zijn en alles komt goed. Was het maar zo simpel.